Categorie archief: Uncategorized

Wederzijds vertrouwen

De hoofdpersonen Timo Ketelaar, Heimert Trouwborst en Emma Verbiest hebben in hun jeugd minder vertrouwenwekkende ervaringen opgedaan. Die ondervindingen kleuren voor een deel hun belevingswereld en hoe zij – nu nog – elkaar tegemoet treden. Het geschonden zijn doet een niet aflatend beroep op alle drie om hier mee om te leren gaan. Emma weet haar neiging  om zich te wreken op mannen te beteugelen. Heimert beseft hoezeer zijn zelfbeeld door haat tegenover zijn vader is gevormd. Timo ontwikkelt zich van een door hartstochten geregeerd mens tot een bedachtzame man die zijn vurigheden en zichzelf min of meer in de hand heeft. Uiteindelijk leggen zij zich neer bij de onvolkomenheden van zichzelf en van elkaar.

De weg die Timo gaat is die van het zelfstandig denken, hij werpt de beginvragen op: wie ben ik en wat is mijn taak? Hij legt een dagboek aan om tot verheldering te komen van zichzelf en zijn positie. Het wordt al snel duidelijk dat het hem hierbij niet gaat om een denken dat louter intellectueel of verstandelijk van aard is, ook niet om een instrumenteel denken dat laat zien hoe je het snelst van A naar B gaat. Op dit soort van denken mikt Timo nadrukkelijk niet. Het gaat erom dat hij het gecontroleerde beeld van zichzelf loslaat en relativeert. Daarin slaagt hij pas als hij geconfronteerd wordt met de afgrond van de dood. Hij vindt zichzelf terug op de bodem van zijn bestaan. Vanaf dat moment ondergaat zijn denken een wending, het wordt het vrije denken dat het mysterie van leven en dood, ondanks het feit dat beide niet gekend kunnen worden, bevraagt. In dit denken staat zijn eigen wil niet langer centraal maar streeft hij er naar om zich toe te vertrouwen aan het verborgene en het ongewisse.

De dagboekwereld en de intrige zijn aanvankelijk gescheiden, na verloop van tijd lopen beide doorelkaar. Later wanneer Timo ongeneeslijk ziek blijkt te zijn, vraagt hij Heimert om zijn dagboeknotities te ordenen en publicatierijp te maken. Heimert ondergaat hierbij een zware teleurstelling en zijn natuurlijke vertrouwen in de dingen loopt een forse deuk op. Als Timo overleden is komen de aangeslagen Heimert en Emma bij elkaar om de dagboek werkzaamheden te voltooien.

Wederzijds vertrouwen [werktitel] zal naar verwachting in het eerste kwartaal 2017 verschijnen. [1]

©Bram Zoon [juni 2016]

[1] September 2018 verscheen deze novelle onder de titel Villa Minerva.

Ik, de rots van Calpe

Mijn vlees mag bang zijn; ik niet. Jorges Luis Borges (1899 – 1986)

We maken kennis met Aard die na een lange reis is neergestreken in Calpe op een terras van een uitspanning, recht tegenover de rots. Deze steenklomp is hét herkenningsteken van de Costa Blanca en plaats waar indertijd iets onverwachts en ingrijpends is gebeurd. Een geschiedenis die Aard uit zijn geheugen heeft geprobeerd te wissen, maar dat is hem niet gelukt. Slechts in een verdraaide vorm kondigt zich nu beetje bij beetje aan wat dat is. Hij sukkelt na een lange reis op de strandboulevard in slaap, wordt vervolgens overrompeld door een bizarre dagdroom. Achter de rots, in de verte, is overigens een andere klip waarneembaar die sprekend lijkt op de walvis van het beroemde schilderij van Dali. Maar deze ontsnapt aan de aandacht van Zorgdrager.

Aard tuurt in de verte, hij ruikt het ziltige van de zee. Hij is wat achteraf op het grote terras in de schaduw gaan zitten. Als hij zijn ogen tot dunne streepjes samenknijpt ziet hij dat kleine sliertjes op zijn netvlies de ooglens vertroebelen. Toch is de conditie van zijn ogen niet slecht, hij kan nog steeds, als hij zijn ogen opent, de rots scherp zien. Kinderen spelen, schreeuwen en joelen op het strand. Voor hem zit een oudere dame te dommelen. Na zoveel jaren kijkt hij opnieuw in een mengeling van bewondering en afgrijzen naar de rif, desalniettemin glijdt hij langzaam weg in een lichte en onrustige slaap. De klif wendt zich tot de mensen, spreekt tot hen, tot hem. Het is dusdanig helder dat hij zonder noemenswaardige moeite diens tirade registreert en later reproduceert:

‘Ik, de rots van Calpe ben niet kenbaar. Ik geef mijn geheimen niet prijs. Waarom zou ik? Slechts een enkeling kan me doorgronden. Hoewel deze feiten onweerlegbaar zijn zal ik spreken. Een tip van de sluier oplichten. Dat moment is nu aangebroken.

Daar liggen jullie te wentelen op het strand. Jullie zijn niet goed bij je hoofd, of nauwelijks bewust van de wereld waarin jullie leven. Als de elementen maar even hun gang gaan worden jullie verzwolgen. Verkruimeld en verpulverd in onze woeste granieten vuisten. Een eerbiedig, ingetogen zwijgen zou een gepastere houding zijn, maar jullie willen en kunnen niet luisteren.

De enkelen die ons menen te kennen zitten thuis in spaarzaam verlichte kamers, achter hun computers, te piekeren of te studeren. Ze hopen een glimp van onze ontzagwekkende realiteit te kunnen opvangen, tegelijkertijd zijn ze er doodsbang voor.

Het koude angstzweet staat op de rug van die arme zwoegers en doorweekt hun polo’s. Toch zoeken ze verder. Als zij ons ware gezicht zouden kennen, zouden ze meteen sterven, hun hart zou nooit meer een slag slaan. Omdat het mysterie nooit onthuld of gekend kan worden. Alleen de moedigsten onder jullie mogen het, zij het voor korte tijd, in de verte aanschouwen. Zij zullen voor het leven getekend zijn en alleen nog stamelend kunnen spreken. Zelfs als zij de gave van het woord behouden, zullen ze niet geloofd worden. Dat is hun lot. Zo is het altijd gegaan en zo zal het altijd blijven. Indien die enkeling, dat genie, niet de mogelijkheid had om op enigerlei wijze uitdrukking te geven aan zijn ervaringen, zou hij terstond sterven.

Uitgestoten zal hij zeker worden, maar dat had ik al verteld. Het bijzondere is dat die waarheidzoeker, zo zou ik een dergelijk iemand willen noemen, daar niet om geeft en dat maakt hem voor ons oerkrachten buitengewoon aantrekkelijk. We laten hem nog even aan een dun onzichtbaar touwtje bungelen en vermaken ons kostelijk om zijn vermetelheid. Al snel is hij te uitgeput om nog één woord op papier of een penseel op een doek te krijgen.

Ik, de rots van Calpe, de Peñón de Ifach, zorg er persoonlijk voor dat hij in de lagune, hier vlak achter de verkeersader te midden van de flamingo’s wordt geknikkerd. Daar kan hij zijn laatste levensdagen al doelloos dobberend doorbrengen, in afzondering, zonder medemensen, tussen de honderden gracieuze flamingo’s.

Ik mag dan wel slechts tweehonderddrieëndertig meter hoog boven de Middellandse Zee uitsteken, ik ben indrukwekkend. Niemand kan om mij heen, ik zal altijd gezien worden. Maar ik kan, nogmaals, niet gekend worden, nooit. Daar wil ik geen misverstand over laten bestaan.

Jullie kunnen duizenden foto’s van me maken en me onder leiding van ter zake kundigen beklimmen. De vegetatie bestuderen, diepe gaten in me boren, vanaf mijn top grondig de omgeving analyseren. Dwarsverbanden proberen vast te stellen tussen mij en de rest van de omgeving. De talloze vogels die op mijn flanken broeden spotten. Het zal jullie niet veel baten, ik geef mijn geheimen niet prijs. Jullie doen er goed aan je daarbij neer te leggen.

Als jullie ook maar een fractie van mij zouden doorgronden, zien jullie je geliefden nooit meer terug. In dit verband heb ik daar ooit de beroemde en onlangs overleden Nederlands kunstenaar Armando het volgende over horen beweren: ‘De medemens is niet pluis.’ Dat heeft deze grote schepper en mensenkenner goed begrepen en mild verwoord.

Ik kan ook nog vermelden dat de grote Ernest Hemmingway in de jaren dertig van de vorige eeuw, zijn tenten aan mijn voeten heeft opgeslagen. Misschien heeft hij net als Armando wel iets van mij begrepen. Zijn complete werk ken ik onvoldoende, maar ik weet wel dat het met hem niet goed is afgelopen. Na de aanblik van mijn ontzagwekkende waarheid is hij terstond naar Chili gevlucht. Hij is daar aan de drank gegaan; de langzame zelfmoord. Daarna heeft hij van iedereen verlaten, zich dwars door het gek geworden hoofd geschoten.

Dit feit was me bijna ontschoten omdat ik indertijd met een groot onderzees karwei aan de gang was. Daar in Zuid-Amerika heeft deze beroemde auteur een indrukwekkende tekst samengesteld: ‘The old man and the sea.’ Het kan geen kwaad dit boek te bestuderen, maar het zal jullie niet veel verder helpen of dichter bij mij brengen.

Daar waar ik de zee aanraak ligt soms afhankelijk van het zwakke getij een stukje, of beter gezegd een strookje, ontbloot fijn zand. Dat is een ideale plek, er wordt stom genoeg geen gebruik van gemaakt. Door niemand.

Die zee, de Middellandse Zee, is mijn grote vijand en mijn grote beschermer, allebei tegelijkertijd. Door haar hoef ik mijn geheimen vooralsnog niet prijs te geven. Die onttrekken zich aan jullie waarneming. Tegelijkertijd moet ik voor haar uitkijken, als zij de gelegenheid krijgt om mij te verpletteren, zal zij dat niet laten. Van zulk een tegenstelling tussen de beminden hebben jullie nog nooit gehoord. ‘Daar kunnen jullie niet veel mee,’ zoals jullie tegenwoordig zo fraai plegen te zeggen.

Laat ik nog één ding vermelden, daarna horen jullie nooit meer iets van me. Wij verheugen ons in die strijd, dat biedt ons ongekende mogelijkheden om ons bestaan te grondvesten. Wij hoeven onszelf niet te rechtvaardigen. Wij koesteren onze strijd, jullie zullen hier nooit iets van begrijpen. Nooit! Op die enkeling na uiteraard. Het kan me overigens niet zoveel schelen als ik mezelf tegenspreek. Dat melige gezelschapsspel laat ik graag aan jullie over.

Jullie doen er goed aan om de hier achter gelegen lagune met rust te laten. Ik waarschuw jullie.

Tenslotte. Ik hul me weer in stilzwijgen en laat jullie aan de grillige krachten van het lot over. Dit is het enige dat ik kan en wil doen.’

Aard mompelt in zijn slaap, is het een vloek? ‘Dali, magisch realisme,’ zegt hij als hij wakker wordt. Op zijn licht blauwe polo zitten zweetplekken. De droom houdt hem nog uren daarna bezig, natuurlijk een rots kan niet spreken, maar hij is er niet gerust op. Na enige tijd komt hij tot de slotsom dat de droom een symbolische betekenis moet hebben, hem iets wilde zeggen, aanspreken of wellicht verklaren. Zal hij zich door moed en onverzettelijkheid waar de rots van getuigt laten leiden, of zal hij zijn gedrag door de omstandigheden laten sturen?[1]

© Bram Zoon (2013/2018)

[1] Bram Zoon – De rots van Calpe, 2014.

Vragend denken

Over de kunst van het openlaten

De hieronder geplaatste tekst van Gadamer kwam ik bij toeval tegen op de facebook pagina van Marc van den Bossche.[1] Ik was er meteen door gefascineerd, maar omdat ik het nogal vluchtig had gelezen nam ik me voor om het later wat grondiger te bekijken. Toen ik weer naar de bewuste facebookpagina terugkeerde was het verdwenen. Via hetzelfde medium heb ik hem gevraagd of hij me op enigerlei wijze aan dit tekstje zou kunnen helpen. In minder dan 2 uur stond het tot mijn verrassing in mijn chatbox.

Ter verdere inleiding doe ik een poging om eerst iets over Gadamer en diens kijk op de werkelijkheid te zeggen, daarna volgt dan het betreffende citaat.

De bewuste tekst is van Hans-Georg Gademer (1900 – 1902) en afkomstig uit zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode (1960). Deze Gadamer was een leerling van Heidegger. In mijn oude en vertrouwde syllabus over ‘hermeneutiek’ lees ik dat hij: ‘[…] de implicaties van Heideggers “fenomenologische hermeneutiek” heeft uitgewerkt en meer toegankelijk gemaakt. Gadamers grote verdienste is zijn zorgvuldige exploratie in de mogelijkheden en de grenzen van een filosofische hermeneutiek.’ Het gaat hierbij om de waarheidservaringen die het gangbare wetenschappelijke waarheidsbegrip overstijgen. Iets dat we in het onderstaande citaat goed kunnen zien. Onze zogenoemde objectivistische benaderingswijze van de dingen schiet iedere keer weer tekort. De historische geschiedenis is geen objectief gegeven, zij berust op het vooroordeel dat het een onzijdig, een universeel gegeven is.[2]

‘Het nauwe verband dat tussen vragen en begrijpen blijkt te bestaan geeft de hermeneutische ervaring pas haar ware dimensie. Wie wil verstaan, kan de waarheid van het bedoelde in het midden laten. Hij kan zich van de zich direct opdringende meningen over de zaak terugbuigen naar de betekenisopvatting als zodanig en deze niet als waar, maar louter als zinvol beschouwen, zodat de waarheidsmogelijkheid open blijft – dit openlaten is de eigen en oorspronkelijke essentie van het vragen. Vragen laat altijd mogelijkheden zien die nog openliggen. Daarom kunnen we een vraagstuk niet begrijpen door ons erover te buigen zonder echt te vragen, zoals we een opvatting wel kunnen begrijpen door ons erover te buigen zonder die opvatting te delen. Begrijpen wat voor vragen iets oproept is veeleer altijd al vragen. Tegenover vragen kun je geen puur hypothetische, potentiële houding aannemen, omdat vragen geen poneren, maar zelf uitproberen van mogelijkheden is. Hier wordt vanuit het wezen van het vragen duidelijk wat Plato’s dialogen in hun feitelijke voltrekking demonstreren. Wie wil denken, moet zich dingen afvragen. Ook als iemand zegt: ‘Hier zou je je kunnen afvragen … .’, is dat al echt vragen, alleen in voorzichtige of hoffelijk bedekte termen. Dat is de reden waarom al het begrijpen altijd meer is dan pure inleving in andermans mening. Door te vragen legt het betekenismogelijkheden open, en daarmee gaat wat zinvol is in de eigen opvattingen over. Alleen in oneigenlijke zin kan men ook vragen begrijpen die men niet zelf vraagt, bijvoorbeeld vragen die men als gedateerd of overbodig beschouwt. Dat betekent dan dat men begrijpt hoe onder bepaalde historische omstandigheden bepaalde vragen zijn gesteld. Het begrijpen van vragen betekent dan de betreffende omstandigheden begrijpen, en dat die achterhaald zijn betekent dat de vraag zelf achterhaald is. Denk bijvoorbeeld aan het perpetuum mobile. De betekenishorizon van zulke vragen ligt slechts schijnbaar nog open. Ze worden niet meer als vragen begrepen. Want wat men in zo’n geval begrijpt, is juist dat er geen vraag ligt. Een vraag begrijpen betekent haar vragen. Een mening begrijpen betekent deze als antwoord op een vraag begrijpen.’

Hans-Georg Gadamer – Waarheid en Methode, Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Uitgeverij Vantilt (2014) pag. 357 – 358.

[1] Met dank aan Marc van den Bossche: https://www.facebook.com/marc.vandenbossche.79?fref=nf

[2] Gadamer kwam door dergelijke onderscheidingen tot de ‘rehabilitatie van het vooroordeel’. Elk oordeel is een voorlopig vooroordeel, een voorwaarde voor het doorlopen van een verstaans-beweging.

Vlottende begeerte

Walbeek hield kantoor aan huis en kon zodoende zijn tijd voor een fors deel zelf indelen. Die vrijheid plaatste hem regelmatig voor onvoorziene kwesties. Hij had bij vlagen de grootste moeite om de dagelijkse dingen die hij moest doen te ordenen en systematisch af te werken. Vaak had hij het gevoel dat de zaken waar hij mee bezig was een eigen leven leidden en hem een dagritme opdrongen waar hij niet of nauwelijks de hand in had. Als Lea van haar werk thuis kwam mopperde ze vaak op hem dat hij bepaalde huishoudelijke dingen niet had gekocht of uitgevoerd. Niet zelden was het hem overkomen dat hij door die karweitjes uit te voeren, juist enige afstand van zijn dagelijkse werkzaamheden en beslommeringen nam. Vaak was hij daarna in staat met meer en betere energie goede en snelle vooruitgang te boeken bij zijn werk. Toch hield hij zich onregelmatig aan deze stelregel. De aanzuigende werking van zijn werkzaamheden en gedachten overviel hem regelmatig.

Neem nu zo’n idee van Marcel Proust over de liefde. Die kon hem al snel uit zijn dagelijkse ritme brengen. Hij las de regel nadat hij hem had ingetikt hardop voor: ‘Haar noodzakelijkheid voor jou is welbeschouwd puur toevallig, een effect van je vlottende begeerte die zich op iemand heeft gevestigd.’ Zo’n gedachte vond hij mooi. Prachtig. Kijk, daar genoot hij van. Het getuigde van een bijzondere waarheidlievendheid en demaskeerde treffend de gewone en gangbare conventies over wat liefde is. Proust ontkende zo dat zoiets als ‘voorbestemd zijn voor elkaar’ bestaat. Bevrijdend ook. Het zijn enkel ‘egoconstructies’. De liefde is slechts een toeval, zoals zoutkristallen zich willekeurig op een tak in een klamme spelonk vestigen.

Maar Prousts gedachten lieten hem niet los. Ben ik inderdaad een onverbeterlijke romanticus? Het werd hoog tijd om zichzelf eens flink toe te spreken. Hij plaatste het portret van Marcel voor zich en ging van start. ‘Dat het voorbestemd zijn voor elkaar zou bestaan, mag best wel gewantrouwd worden. Dat is zelfs bijzonder verstandig. Maar het mag niet doorschieten. We zijn toch tot meer dan enkel narcistische liefde in staat? Dat de liefde tussen moeder en kind de enige liefde is en al het andere surrogaat blijft, daar kan ik me weinig bij voorstellen. Wél van het enorme belang hiervan voor je verdere leven. Maar dat de liefde zo onveranderlijk blijft, gestold, onbeweeglijk als onder een glazen stolp, dat kan ik me maar moeilijk voorstellen. Een opkomend besef dat we aan elkaar geschonken zijn, mag toch niet bij voorbaat worden uitgesloten, en jezelf, in liefde voor elkaar, vergeten? En kan in die liefde niet iets opbloeien dat wij, de geliefden, aan iets anders, wellicht aan een hoger beginsel toebehoren?’
Walbeek zei tegen zichzelf: ‘Je bent er bijna, als je het nu niet afmaakt loop je inderdaad een groot risico om die onverbeterlijke romanticus te worden.’ ‘Wil het me uitleggen?’ vroeg hij aan zichzelf.
‘In je vroege jeugd hebben je ouders je niet kunnen geven wat je voor je geestelijke ontwikkeling nodig had. Je zoekt daarom – onbewust – naar herstel, naar vervulling van die verlangens. Ik heb weleens iemand horen zeggen dat die pijn je – onbewust – drijft naar genezing. Daarom val je op een partner met diezelfde negatieve eigenschappen als van je ouders. Aan hem of haar mag, kan of moet je dan je onbewuste sores verwerken. Als die onbewuste match met je partner ontstaat kan er iets heel moois opbloeien.’
‘De opgave is dus dat je het zélf moet doen?’
‘Ja dat is ongeveer de strekking. Op een bepaald moment moet je leren te stoppen met almaar achter die onvervulde verlangens aan te gaan. Het gaat om de moed om alleen te staan. Om daar vertrouwen in te krijgen, om dat op te bouwen. Dan zijn belangrijke voorwaarden vervuld om tot die scheppende liefde te komen waarover je het daarnet had.’
Toen hij dit alles gedacht en gedaan had, kon Jacob Prousts gedachten loslaten. Hij moest lachen om zichzelf en om zijn getob. Hij meende dat hij hem toch maar even van repliek had gediend. Deskundigen en geleerde mensen moesten maar uitmaken of hij hierin was geslaagd. Hij was hem en zichzelf in ieder geval dank verschuldigd. Hij stond op en maakte een diepe buiging voor Marcels portret.

©Bram Zoon (2017)

THUG

Zijn er nog plaatsen in onze maatschappij waar mensen ongeacht kleur, geslacht, etniciteit of geaardheid elkaar nog werkelijk kunnen ontmoeten? Deze mogelijkheden lijken voor de argeloze waarnemer eerder sprongsgewijs af- dan toe te nemen. Gangbare integratiekaders verliezen steeds meer hun rol en betekenis. Tweedracht voert de boventoon, ons wij-gevoel lost volgens de columnist van mijn ochtendblad op in een ‘archipel van verdeeldheid.’
Er geldt voor deze ontwikkeling een belangrijke uitzondering, dat is de ziekenhuisontmoeting tussen medepatiënten, die soms uitgroeien tot langduriger vriendschappen tot over de grenzen van de kliniek. Iedereen die wel eens in een ziekenhuis heeft gelegen zal dit onmiddellijk herkennen. Binnen de muren van het hospitaal vallen barrières sneller weg, levensgeschiedenissen worden met groter gemak opgedist. Pijn en zorgen worden geuit en verlicht, oh zeker niet met iedereen, maar het is onmiskenbaar dat mensen onder deze vaak pijnlijke omstandigheden elkaar gemakkelijker weten te vinden en elkaar tot onvergetelijke – wederzijdse – steun zijn.
Maar naast veiligheid en geborgenheid is het ziekenhuis ook een bron van teleurstelling en onveiligheid. Zo is de ziekenhuisomgeving voor kwetsbare patiënten beslist geen beschutte omgeving meer, maar kan zij juist risicovol en zelfs bijzonder gevaarlijk zijn.
Dit tweeslachtige doet zich ook voor in dit vierdelige verhaal over Jacob Walbeek en Marius Streefkerk, zij worden door een vreemd toeval aan elkaar gekoppeld en er groeit vanaf dat moment een bijzondere band tussen beiden. Het is een geschiedenis die ik in 2010 optekende en nu anno 2017 wereldkundig maak. We maken eerst en kennis met Jacob Walbeek, hij kampt met een beruchte ziekenhuisbacterie, die hij vermoedelijk heeft opgelopen bij een eerdere opname. Later komt Marius Streefkerk in beeld, hij blijkt een opmerkelijke ziektegeschiedenis en belangstelling voor de dood te hebben.

True Hero Under God

Een mens moet wel heel veel ervaren & verwerkt hebben, om met zijn dood, als die aanbelt, vrede te hebben. (Gerard Reve, 1923 – 2006)

1. Haperingen

Jacob Walbeek wist dat hij geen vormfouten mocht maken. Hij zou op een later en geschikter moment allervriendelijkst om een andere longarts vragen. Lea steunde hem volledig in zijn voornemen: ‘Het gaat om jouw gezondheid, van niemand anders’, had ze gezegd.
‘U moet niet vergeten dat ik al meer dan vijfentwintig jaar ervaring heb met deze longaandoening, met dokters, ziekenhuizen en behandelingen,’ zei Jacob. ‘Als wielrenner werd ik de ervaringsexpert van mijn eigen lichaam?’
Pas toen de longarts de beruchte ziekenhuisbacterie had gevonden, had hij een aanknopingspunt. Tot dan toe had hij zich niet verdiept in zijn casus. Walbeek moest keer op keer zélf dossierinformatie inbrengen. De man wist bijvoorbeeld niet dat Walbeek een aangeboren eiwittekort had, waardoor zijn immuunsysteem kwetsbaarder was in vergelijking met andere patiënten. Zo iets belangrijks en zeldzaams was hem ontgaan.
Zou dit ooit nog goed komen? Jacobs gezondheid liet al zes maanden te wensen over. Aanvankelijk werd geprobeerd genezing te vinden door het ophogen van zijn dagelijkse medicatie. Dit had echter geen effect. Daarna had hij op voorschrift van de arts maandenlang, maar tevergeefs antibiotica en ontstekingsremmers geslikt. Jacob zag er pafferig uit. Hij was flink aangekomen van al die chemische rommel. Walbeek barstte bijna uit zijn lievelingsoverhemd, het was geen gezicht. Hij schaamde zich voor zijn eigen lichaam.
Omdat zijn klachten aanhielden bezochten ze gezamenlijk de behandelende specialist. Het contact verliep opnieuw stroef, moeizaam en geïrriteerd. Terwijl hij in zijn repertoriumboekje zat te bladeren vroeg de man: ‘Welke antibiotica moet ik voorschrijven?’ Zoveel treurigheid en onbegrip had Walbeek in zijn carrière als longpatiënt nog niet meegemaakt. Hij antwoordde niet en keek naar buiten. Hij zag een groep ganzen in formatie overvliegen en kon zich hun zachte, wiekende gàà-gak-gagak-geluid goed voorstellen. Het was weemoedig en droeg raadselachtig ver.
Over de resultaten van Jacobs longfunctie merkte hij op: ‘U blaast niet goed, u blaast als een oude man die met één been in het graf staat.’ Jacob blies wél goed, hij wist heus wel hoe een goede piek moest worden geblazen. Hij kón alleen niet beter. Waarom wilde die kerel dat niet begrijpen? Dat kon hij toch zo in zijn status, over jaren, zien? Jacob moest uitkijken dat hij zijn zelfbeheersing niet verloor.
Op een gegeven moment had Walbeek gevraagd: ‘Hoe zien de uitslagen van de laatste sputumkweken eruit?’ Toen bleek dat er opeens de pseudomonas aeruginosa in ontdekt was.
‘Dat is een reden voor opname,’ zei de arts, steunend en zuchtend: ‘Ik moet u eigenlijk opnemen, maar ik heb geen bedden.’
‘Als jij niet over die uitslagen was begonnen, zaten we nu nog te koekeloeren,’ had Lea gezegd. En er direct achteraan: ‘Alleen maar gekwetste beroepstrots. Die vent moest zich doodschamen. De meeste artsen zijn opportunisten, je moet bijkans zwalkend, sterk vermagerd en met holle ogen aan hun bureau verschijnen, voordat ze in actie komen.’ Jacob voelde dat hij Lea beter niet kon tegenspreken..

Hoe lang droeg Jacob deze bacterie nu al bij zich, jaren, had hij deze opgelopen bij een eerdere ziekenhuisopname, het kon niet worden uitgesloten, alleen wat schiet je ermee op als je dat wel weet? Niet veel. Lea: ‘Wat heb je aan je gelijk als je op het kerkhof ligt?’
‘Zie er maar eens af te komen,’ had hij geantwoord. Ze waren er inmiddels achter dat deze bacterie moeilijk en waarschijnlijk niet afdoende kon worden bestreden.

2. Verplaatsingen

Jacob was nog nauwelijks op de longafdeling gearriveerd, of hij was al twee keer verhuisd. De eerste keer was hem een bed gewezen naast een meneer met een plastic zuurstofmasker op, dat zijn gehele gezicht bedekte. Met twee brede rubberen banden was het over zijn achterhoofd getrokken. Zijn haar zat er verfomfaaid onder. Ondanks de zuurstof piepte hij bij inademing hoog en bij uitademing reutelde hij zwaar. Hij was slaperig en sprak met dubbele tong. Een vrouw die handenwringend naast zijn bed zat was erg bezorgd. Steeds zei ze zachtjes: ‘Wat zeg je nou toch jongen, ik kan je niet verstaan.’
Jacob voelde zich verlegen met de situatie. Hij wilde zich niet opdringen, maar kon zich ook niet aan deze situatie onttrekken.
Om hem te kunnen bereiken sprak de zaalarts luid en nadrukkelijk tegen de man, met zijn mond dichtbij het masker: ‘Alle waarden zijn momenteel goed, alleen u voelt zich niet lekker. Dat is het probleem.’ De arts schoof het privacygordijn dicht, Jacob hoorde hen daarachter zachtjes overleggen. Het was onvermijdelijk om niets op te vangen.
‘Het is verstandig om de kinderen te waarschuwen,’ zei de afdelingsdokter. Het gordijn bleef gesloten. Walbeek voelde zich opgesloten, beroerd en benauwd bovendien.
Jacob pakte zijn gloednieuwe notitieboek uit de tas en streelde het kaft. Hij had het van Lea gekregen. Het voelde hard en bijna scherp aan als je er met je vingers overheen streek. Hij schreef er zijn voor- en achternaam, adres en andere gegevens in. Zo’n notitieboekje bleek na verloop van tijd een zee aan nuttige informatie te bevatten. Het was daarom zaak om het niet kwijt te raken. Walbeek borg het op in de la van zijn nachtkastje. Het ging niemand iets aan wat hij hierin opschreef. Vaak waren het krabbels, een invallende gedachte, een observatie, de aanzet van een alinea, of complete zinnen, alles in klad. Soms feiten, over het weer, de maten van kamers, vloerbedekkingen, telefoonnummers, adressen, het kon van alles en nog wat zijn. Invallen. Of banaliteiten, welke boodschappen er gehaald moesten worden. Maar ook schreef hij bijvoorbeeld over de hop en Hernri Purcell.

De hop was een vogel die hij dankzij zij een vriendin eindelijk had kunnen plaatsen en bewonderen. Jacob: ‘Een prachtige en zeldzame vogel voor het eerst in mijn leven gezien. In Spanje achter het hotel in Jaén. Hij was het volledig eens geweest met de beschrijving die hij in Pettersons Vogelgids aantrof. ‘Het meest markante aan deze vogel is zijn fiere rechtopstaande waaierkuif en zijn traag golvende, langzame, vlinderachtige vleugelslag.’
Over Henri Purcells Dido en Aeneas schreef hij het volgende. ‘Hij schreef deze kameropera in 1689, zes jaar voor zijn dood. Slechts 36 jaar geworden. Vier dansen komen erin voor: The Triumphing Dance, The Echo Dance of Furies, The Sailors Dance en The Witches Dance. Het zijn korte bijna onopvallende verbindende stukjes. Vier barokjuweeltjes, bijna achteloos gestrooid over de drie delen, in de eerste twee ieder één en in de laatste akte twee. Ze verschaffen een strak ingetogen muzikaal kader met daarbinnen een zuivere kwetsbare harmonie van tonen en klanken. Brengen je meteen in een staat van gelukzaligheid. Koude rillingen over het lijf bij het beluisteren van het vocale When I am laid in earth. Daar spreekt Purcell je in al je zintuigen aan, streelt niet alleen het oor, maar treft je in hart en ziel.
Soms pakte hij wel eens een oudere dummy om er wat doorheen te bladeren. Jacob kon zich zo veel herinneren en vooral in welke stemming hij zich daarbij had bevonden. Het gaf een nauwkeurige beschrijving van zijn leven in een bepaalde periode.

Walbeek nam vervolgens ‘Wegen van de wereld’ van Nicolas Bouvier uit zijn tas. Hij was al aardig gevorderd en wilde verder gaan lezen. Bouvier was de meester van de couleur locale-beschrijving. Zijn tocht had hij gemaakt met een Fiatje Topolino van Ljubljana in voormalig Joegoslavië, via Turkije, Perzië, Pakistan naar Peshawar in Afghanistan. Een dergelijke reis is vandaag de dag niet meer mogelijk.

De dienstdoende zaalzuster onderbrak Walbeek, ze duwde de deur met kracht open en zei gedecideerd: ‘We gaan u verhuizen.’ In een handomdraai werd hij met bed en al naar een volgende tweepersoonskamer gereden. Daar stond een man van ongeveer veertig jaar naast zijn bed. Hij hoestte zo klagelijk en erbarmelijk dat het je door merg en been ging. Hij had een zuurstofslangetje in zijn neus. Zijn sluike haar was gitzwart geverfd en hoog, ouderwets, opgeschoren. Alsof hij geknipt was met een po op zijn hoofd. Hij had een onduidelijke tatoeage op zijn linkerwang en een aluminiumkleurige piercing net onder zijn onderlip. Hij droeg een zwart T-shirt en brede leren armbanden om beide polsen. De zilverkleurige vierkante punten op het leer trokken de aandacht. Later zou deze man op mysterieuze wijze verdwijnen. Na verloop van tijd kwam Jacob er achter dat dit met meer patiënten gebeurde. Zonder aankondiging waren ze plotsklaps, soms met bed en al verdwenen en maar in enkele gevallen teruggekeerd.

Walbeek stond naast zijn bed en terwijl de zusters bezig waren om dit in de kamer te manoeuvreren kwam de zaalzuster opnieuw op de proppen. ‘We gaan u nog één keer verhuizen meneer Walbeek, het is voor de allerlaatste keer.’ Precies tussen de eerste en de tweede kamer in werd zijn bed in de volgende tweepersoonskamer gereden. Halverwege vroeg de zuster aan Walbeek of hij misschien bij het raam wilde liggen. Jacob voelde daar wel voor. Hij moest even wachten, de zuster ging met de man in de kamer overleggen. Ze kwam terug en zei dat meneer zelf bij het raam wilde blijven liggen. Jacob ging de kamer in. In bed lag een man die er oud en vermoeid uitzag, hij was mager en klein van stuk. Naar later bleek was hij pas vijfenzestig jaar. Hij had een bebopkapsel van spierwit haar en droeg een zwaar roodkleurig brilmontuur. Hij had een snorretje en een Sigmund Freud puntbaardje, allebei wit en zorgvuldig gecoiffeerd. Jacob liep op hem toe, stak zijn hand uit en zei: ‘Jacob Walbeek, aangenaam.’ De man kwam opvallend kwiek zijn bed uit en stelde zich met een scherpe nasale stem voor: ‘Marius Streefkerk, welkom.’ Hij droeg een onberispelijke, net gestreken pyjama. Zijn blote voeten staken in dure badslippers.
Jacob zou bijna veertien dagen op deze kamer liggen. De laatste zeven dagen van zijn ziekenhuisverblijf bracht Jacob alleen op de kamer door. Marius’ behandeling was abrupt afgebroken.

Iedere keer als Lea op bezoek kwam en weer vertrok had hij met de rug naar hen toe gezeten. Steeds wanneer Lea zei: ‘Dag meneer Streefkerk’, antwoordde hij bijna onderdanig met: ‘Dag mevrouw.’

3. THUG

Jacob werd uit zijn dagdroom gehaald door twee zusters die het infuus willen aanleggen. Eerst werd er een grove naald in een van de bloedvaten op de bovenkant van zijn linkerarm net na de pols ingebracht. Erachteraan werd voorzichtig een fijn slangetje geschoven, het slangetje bleef over een lengte van vijf centimeter in het bloedvat zitten. De naald werd teruggetrokken. In dat slangetje werd een pennetje van dezelfde lengte, met aan het einde een roodkleurig dopje geschoven. Hierop werd een driewegschakelaartje aangesloten. Het geheel werd met een grote ingenieuze pleister vastgezet. Slangen verbinden de twee infuuszakken en de minischakelaar met elkaar. Pas op de dag van zijn vertrek werd het infuus verwijderd.
Marius Streefkerk sliep altijd met ontbloot bovenlijf. Hij trok zich niet zoveel van Jacob aan. Hij bleef de hele dag zo rondscharrelen, verder dan zijn bed, het toilet en de douche kwam hij niet. Alleen bij de artsenvisite en als hij bezoek verwachtte trok hij zijn pyjamajasje en zijn ochtendjas aan. Jacob voelde zich door dit gedrag niet ongemakkelijk.
Streefland had verschillende tatoeages op zijn bovenlichaam. Zo had hij vanuit zijn hals via zijn schouders tot op zijn beide bovenarmen Keltische kruisen laten zetten. Ze hadden een lengte van circa acht centimeter en waren als een ketting met prikkeldraad over zijn huid kunstzinnig aaneengeregen. Onderaan stond over de volle breedte van beide bovenarmen T.H.U.G. De letters waren aan de forse kant, je kon ze al van een flinke afstand herkennen. Op zijn borst en schouderbladen waren speels en schijnbaar achteloos Chinese lettertekens gestrooid. Jacob vroeg naar de betekenis van THUG. Marius: ‘Dat vertel ik je nog wel een keer.’
Zijn huid was dun en fijn, licht gebruind. Hij was mager en gespierd. Geen vetrolletjes, geen grammetje te veel. Marius had een groot en lelijk litteken van zijn hals tot onder zijn navel. Er zat een gat in zijn keel van ongeveer vier centimeter lengte en bijna twee centimeter breed. Als hij zijn stemprothese niet in had kon je zo in zijn luchtpijp kijken. Na iedere maaltijd zette hij een scheerspiegel op zijn nachtkastje en maakte met een ingenieus staafje waaraan een klein borsteltje was bevestigd de opening en de luchtpijp met grote nauwkeurigheid en eindeloos geduld schoon.
Marius was weinig spraakzaam, erg op zichzelf. Niet humeurig, hoewel dat, gelet op zijn situatie, niet vreemd zou zijn geweest. Vaak lag hij urenlang wezenloos op bed. Altijd met zijn rug naar de kamer en met zijn gezicht naar het licht. De mond een klein beetje open. Zijn vrije hand rustte op zijn regelmatig bewegende borstkas. Na verloop van tijd kwam Jacob er achter dat hij niet sliep. Als Jacob hem zo zag liggen moest hij denken aan een rustende vermoeide krijger, een indiaan, één die ternauwernood aan zijn achtervolgers was ontsnapt.
Streefkerk at weinig, slecht. Elke dag werd hij gewogen. Steeds werd hij er door de afdelingsarts op gewezen dat hij niet verder mocht afvallen. ‘U moet goed eten meneer Streefkerk,’ zei hij tot vervelens toe. Marius moest na de geringste inspanning al rusten.
Hij was gepensioneerd, had een onderhoudsbedrijf gehad. Was getrouwd geweest met een Kaapverdische vrouw, maar dit huwelijk had, zoals hij onderkoeld zei, ‘averij opgelopen.’
Zijn schoonzoon en kleinkinderen kwamen wel eens op bezoek, dan was hij opvallend goed gehumeurd. Hij liet zich bij die gelegenheid als een pasja in zijn rolstoel door de ziekenhuisgangen rijden. Bij het verlaten van de kamer wuifde hij minzaam naar Jacob.
Marius had indertijd slokdarmkanker gehad. Hij was tweeëndertig keer zonder succes bestraald. Steeds bleek dat de kankercellen na een aantal dagen weer terug waren gekomen. Er werd daarom besloten om de poliepen in zijn keel operatief te verwijderen. Ook zijn stembanden werden weggehaald. Vandaar de luchtpijpsnede in zijn keel. Toen Jacob er naar vroeg en Marius hem het een en ander vertelde sprak hij van ‘mijn tracheostoma’. Hij kon alleen praten als hij de spraakprothese in had. Als hij iets wilde zeggen legde hij lichtjes de duim van zijn rechterhand op het apparaatje. Zijn stemgeluid was hees, traag, slepend en metaalachtig. Het klonk vermoeid, niet zonder melancholie, je kon zijn sombere berusting er nog goed doorheen horen klinken. Als hij sprak streelde hij met zijn linkerhand onafgebroken en bedachtzaam zijn on-Nederlandse puntbaardje.
Al weer even geleden waren opnieuw kwaadaardige cellen van een ander soort in zijn lijf ontdekt. Over de precieze achtergrond zou hij binnen enkele dagen worden geïnformeerd. Die onzekerheid drukte hem zichtbaar terneer. Jacob: ‘Kan en wil je nog vechten?’ Hij antwoordde: ‘Maar waarvoor?’ Na lang zwijgen vervolgde hij: ‘Ik wil wel vechten, maar een lange lijdensweg met chemokuren en bestralingen zou me dit keer wel zeer zwaar vallen. Of, weten dat je over pakweg een half jaar zult sterven en er maar het beste van maken. Met alleen nog maar een beperkte onderhouds-behandeling. Dat zijn de keuzen. Op dat laatste zal het wel uitdraaien.’
Hij wilde met zijn ex-vrouw nog wel een grote reis maken. ‘Maar dat kan ik onder deze omstandigheden maar beter vergeten.’
Marius had iets onverschrokkens, was voor niets en niemand bang. Ook niet voor de dood. Je merkte dat niet zo direct omdat zijn kwetsbaarheid zo op de voorgrond stond. Maar als je zoals Jacob enige tijd met hem kon optrekken kwam je geleidelijk tot deze ontdekking. ‘Ik laat me niet meer wegsturen,’ zei hij beslist. ‘Eerst moet er duidelijkheid komen, eerder ga ik niet weg.’
Toen die lang verwachte duidelijkheid werd gegeven was hij voor een korte periode hevig aangedaan, maar niet uit het veld geslagen. Klein, gebogen maar sterk en vastberaden droeg hij het voor hem fatale nieuws. Zijn dochter, schoonzoon, zijn enige zuster en zwager waren ontredderd toen bekend werd dat Marius aan ongeneeslijke asbestkanker leed. ‘Ik ben uitbehandeld en heb geen weerstand meer,’ zou hij later aan Jacob vertellen.
Toen Jacob weer de kamer inkwam en de familie van Marius zo om zijn bed zag zitten wist hij meteen dat het niet goed was. Marius zei: ‘Kom er maar bijzitten, Jacob.’ Later zou Marius hem op gedetailleerde wijze de juiste toedracht van zijn fatale longproblemen vertellen. In de verwarring die hierop volgde was Jacob zijn mobiele telefoon kwijtgeraakt. Marius had zijn naarstige en nerveuze zoeken opgemerkt. Jacob schaamde zich voor het feit dat hij nu op dit dramatische moment op zoek was naar zijn telefoon. ‘Wat zoek je toch?’ had Marius kalm gevraagd. In een mum van tijd hadden ze hem teruggevonden toen Marius op het nuchtere idee kwam, om even met zijn toestel Jacobs nummer te bellen.

4. Dichte mist

Het was Jacob al meerdere keren opgevallen dat Marius een obsessie voor de dood had.
‘Wat heb jij toch met de dood?’
‘Dat is het enige dat ik in dit leven zeker weet. De dood is onvermijdelijk.’
‘Dood, schaduw des levens?’
‘Ja, maar wel raadselachtig.’
Marius sloeg zijn computer open: ‘Kijk maar, het staat een beetje door elkaar, het is iets waar ik eigenlijk al jaren mee bezig ben. Ik ben verzamelaar van de dood.’ Tot Jacobs verbazing had hij allerlei met het levenseinde verwante onderwerpen bij elkaar gebracht. Jacob mocht alles inzien, het waren digitale mappen met rituelen, symbolen, de hunebedden, het sterven zelf, de uitvaart, de begrafenis, crematie, begrafenissen van koningen en koninginnen, het dragen van de dode, het bekend maken, lijkverzorging, tradities en culturen, over rigor mortis, doodshemden, geloofsachtergronden, afbeeldingen van de dood en de ziel, over iets en het niets, de doodsbrenger, het balsemen, aansprekers, grafopschriften, monumenten, doodskisten en ontwerpen van begraafplaatsen. Het was een veelheid van uiteenlopende onderwerpen die de ene keer diepgaand en de andere keer oppervlakkig werden behandeld. Al met al was het een schat aan informatie, die onoverzichtelijk door elkaar was gehusseld. Marius: ‘Ik lijk zeer ordelijk, maar in werkelijkheid ben ik een chaoot. Dat kun je goed aan deze wanorde zien.’ Jacob en Marius spraken op een gegeven moment af dat Jacob hem zou helpen met het catalogiseren en ordenen van zijn macabere collectie.

De dood greep Jacob bij zijn nekvel en sleepte hem door de gangen naar buiten. Op de achtergrond hoorde je al het traag beieren van de klokken. Er klonk zacht tromgeroffel in de maat van de dodenmars. Het was een donkere nacht. Jacob spartelde tegen. De dood zei: ‘Kom, stel je niet aan, er gaan zoveel mensen dood, je hebt pech gehad.’ Hij schudde Jacob keer op keer hard door elkaar. Eenmaal buiten gekomen, dwong hij hem al struikelend in de richting van een grote, lege ruimte. Jacob vermoedde dat het daar om een grote bres, een massagraf ging. Onpeilbaar diep, gevuld met lichamen. Het geluid van de trommel en schuiftrompetten werd nadrukkelijker en zwol meer en meer, stapsgewijs, aan. Jacobs einde was nu dicht genaderd. Uit de kuil walmde een afschuwelijke stank. Jacob verzette zich tot het uiterste, maar de dood liet zich niet vermurwen. Hij zei onverbiddelijk: ‘Jij, Walbeek, bent nu aan de beurt.’
Jacob werd met een ruk wakker. De dood had hem nog niet verlaten. Hij had een slijmprop ter grootte van een duivenei in zijn luchtpijp geplaatst. Jacob probeerde de stop uit te hoesten, dat lukte niet. Hij kwam met zijn adem achter de slijmklont. Hij hoestte tien, twaalf keer maar het taaie slijm schoot niet los. Iedere keer dat hij met meer kracht ertegenaan blafte werd hij benauwder, hij stikte. Jacob vloog zijn bed uit, hij wilde het infuus en alles waaraan hij vastzat losrukken, in één lange driftige haal, de gang oprennen, het ziekenhuis uitvluchten. Desperaat. Hij werd steeds lichter in zijn hoofd, het kille, koude zweet gutste van zijn lijf. Jacob wist niet meer wat hij deed, hij danste naast zijn bed, was radeloos van angst. Hij schreeuwde, zonder dat hij zichzelf hoorde: ‘Ik ga dood, ik kan het niet, ik ga dood, ik kan het niet…’
Marius kwam voor hem staan, drukte hem met grote kracht neer en zei: ‘Nu ga je zitten.’ Hij vloog de gang op en riep met zijn metalen stem de zusters. Er was paniek toen ze Jacob zagen. Ze lieten hem onmiddellijk vernevelde lucht inademen. De warme hand van de zuster rustte op zijn schouder, ze sprak zachtjes: ‘Rustig, rustig maar.’ De hand bracht hem van het dodenrijk terug in de realiteit. Ze lieten de deur bij het weggaan een beetje openstaan.
In de opwinding had Marius vergeten zijn stoma uit te doen, hij mompelde in zichzelf: ‘Je hebt me laten schrikken, jonge, wat heb je me laten schrikken, jonge, jonge, je hebt me laten schrikken…’
Kort hierna viel Jacob uitgeput in een diepe slaap. Hij droomde opnieuw. Hij liep door een oneindig stelsel van gangen, met de rijdende infuusstandaard in zijn hand. Aan het voetstuk hingen drie dode purperreigers ondersteboven met hun snavels naar beneden, het bloed drupte uit hun bek op de grond en liet een luguber spoor achter. In de verte meende hij Marius te zien, Jacob probeerde hem achterna te rennen, langzaam loste zijn beeld op in een dichte mist.

©Bram Zoon (2010)

De zin van Zijn

Heidegger wil door middel van een fenomenologische analyse het licht werpen op de ‘zin van zijn’. In Sein und Zeit schrijft hij: ‘De benaming ‘fenomenologie’ drukt een maxime uit dat we aldus kunnen formuleren: “Naar de zaken zelf!” – tegen alle vrijblijvende constructies, toevallige vondsten, tegen het overnemen van slechts schijnbaar gelegitimeerde begrippen, tegen de schijnvragen die vaak generaties lang als ‘problemen’ de boventoon voeren.” En elders: “Fenomenologie wil zeggen: dat wat zich toont, zoals het zich vanuit zichzelf toont, vanuit dit zijnde zelf laten zien.”
Edmund Husserl (1859-1938) is de grondlegger van de fenomenologische beweging. Zijn fenomenologisch onderzoek betreft vooral de intentionaliteit van het bewustzijn. Het bewustzijn is altijd gericht op iets (het intentionele object), of dit object nu bestaat of niet. Het bewustzijn omvat alle werkelijke en mogelijke werelden. Martin Heidegger vraagt in een kritiek op Husserl niet alleen en niet zozeer naar het bewustzijn, aangezien dit slechts een gestalte van ‘zijn’ is (bewust-zijn), maar naar het zijn zelf en meer in het bijzonder naar een bepaald zijnde dat het zijn in de vele verschillende (werkelijke en mogelijke) gedaanten uitspreekt: de mens als ‘Dasein’.
De hermeneutiek – de “kunst van het interpreteren” – kan als een zelfkritische beweging binnen de fenomenologie worden opgevat. Want wanneer de fenomenologie louter wil beschrijven wat zich toont, rijst de vraag of die beschrijvingen wel geheel onbevangen kunnen zijn. Telkens – zo wist reeds Heidegger, die zijn fenomenologie ook wel een hermeneutische fenomenologie heeft genoemd – treedt de fenomenoloog de fenomenen vanuit een bepaalde belangstelling (‘Vorhabe’) een bepaald perspectief (‘Vorsicht’) en een bepaald begrippenkader (‘Vorgriff’) – dit geldt al voor de grammatica van de taal die gesproken wordt – tegemoet. Is het niet zo, dat elke beschrijving uiteindelijk een interpretatie is?

Heidegger heeft in Sein und Zeit onderkend dat zijn fenomenologische beschrijving een hermeneutische dimensie bezit, sterker: in een veelbesproken passage stelt hij zelfs dat de methodische zin van de fenomenologische descriptie uitleg is” (SuZ, 37). Heidegger vat ‘hermeneutiek’ hierbij niet op als ‘interpretatie’, maar als ‘explicatie’, als het ‘uiteenleggen’ van existentiale structuren. Eén van de redenen waarom Heidegger het project van Sein und Zeit heeft afgebroken is wellicht dat hij inzag dat ook de Daseinsanalytiek geen tijdloze praktijk is. Wij kunnen de wending van fenomenologie naar hermeneutiek nu nader bepalen vanuit het inzicht dat elke beschrijving een historisch-culturele praktijk is, en dat er altijd en onvermijdelijk een interpretatieve dimensie bestaat. Elke beschrijving is – ook – een interpretatie. De filosofie kan haar eigen tijdelijkheid en gesitueerdheid niet afschudden. Waar de metafysica meende dit wel te kunnen doen, heeft de fenomenologie onvoldoende beseft dat de tijdelijkheid in de beschrijving moet zijn onderkend en gearticuleerd.

Hans-Georg Gadamer (1900-2002) was een leerling van Heidegger, die de implicaties van Heideggers “fenomenologische hermeneutiek” heeft uitgewerkt en meer toegankelijk gemaakt. Gadamers grote verdienste is zijn zorgvuldige exploratie in de mogelijkheden en de grenzen van een filosofische hermeneutiek.

In zijn vroege werk tracht Gadamer de fenomenologische hermeneutiek vruchtbaar te maken voor de studie van de geschiedenis. Hij laat zien dat het gesprek met de geschiedenis telkens wordt beheerst door bepaalde verwachtingen, blikrichtingen en voorgegeven accenten (vergelijk Heideggers ‘Vorhabe’, ‘Vorsicht’ en ‘Vorgriff’). Gadamer werkt dit bijvoorbeeld uit door een andere lectuur van de westerse filosofie, vanuit de ‘post-metafysische’ positie waarin wij ons nu bevinden.