Categorie archief: Recente berichten

Taal en werkelijkheid

De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld.

Ludwig Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein (1889–1951) is misschien wel de belangrijkste filosoof van de 20e eeuw. Hij valt op door zijn ondogmatische onderzoek naar betekenissen, waarbij hij zowel verwarrend als bezielend is. Met zijn karakteristieke, aforistische stijl bestookt hij de lezer met korte en kernachtige spreuken en uitspraken. Steeds daagt hij ons op indringende wijze uit om zelfstandig te denken.[1]

Aan de hand van zijn twee hoofdwerken, Tractatus logico-philosophicus en Filosofische onderzoekingen, probeer ik in dit essay om de rode draad in Wittgensteins denken op te sporen en te verhelderen. Je bent gewaarschuwd als je aan zijn teksten begint. In voetbaltermen zou je kunnen stellen dat hij de terugkerende neiging heeft om er met gestrekt been in te gaan.[2]

Kenmerkend voor Wittgensteins latere benadering is dat filosofie niet als een doctrine moet worden opgevat. Hij wijst het onzinnige niet af maar wendt dit juist aan om het zinnige op het spoor te komen. Aanvankelijk is hij stellig in zijn overtuigingen, maar hij gaat er in zijn latere werk in toenemende mate van uit dat vragen en antwoorden door de tijd (kunnen) worden bijgesteld of achterhaald.

Het gaat de latere Wittgenstein niet om de gedachte die achter een uitspraak zou kunnen zitten, maar om luisteren en kijken. Ook is het niet zijn intentie om een zienswijze te vervangen door een andere: het idee dat er uiteindelijk één juiste manier bestaat, is niet zijn idee.

Er valt weinig te lachen bij Wittgenstein, afgezien van de minzame ironie waarmee hij niet zelden zijn eigen uitspraken bespot of becommentarieert. Of het is de denkbeeldige ander, met wie hij doorlopend in dialoog is, die hij de mantel uitveegt. Ernst geeft bij hem uiteindelijk de doorslag.

Tractatus logico-philosophicus (TLP)

Eerste indrukken

In 1982 kreeg ik dit werk voor het eerst in handen. Ik probeer me opnieuw voor de geest te halen wat mijn eerste reactie was…

TLP bracht me in opperste verwarring. Mijn ongemak kwam voort uit het feit dat ik geen verweer had tegen Wittgensteins stellingen. Deze leken van een andere planeet te komen, en vanwege de kracht en stelligheid ervan kon ik ze maar met moeite uit mijn hoofd krijgen. Er ging een betoverende werking van uit. Ik vermoedde iets van het grote belang, de eeuwigheidswaarde, dat onmiskenbaar van dit boek uitgaat.

Wát ik ook probeerde, de stellingen verdwenen niet uit mijn koortsachtig malende brein. Neem de allereerste hoofdstelling: ‘De wereld is alles, wat het geval is.’ En meteen erachteraan de substelling: ‘De wereld is de totaliteit van de feiten, niet van de dingen.’ Of de allerlaatste stelling: ‘Van dat, waarover niet kan worden gesproken, moet men zwijgen.’ Het staat er met grote stelligheid, alsof het om mijn oude vertrouwde catechismus gaat.

Maar pas later dringt het tot me door dat zijn stellingen uit het niets oprijzen – niet zozeer vanzelfsprekend maar eerder bedwelmend zijn. Wittgenstein redeneert niet: hij poneert en postuleert. Pas toen ik dit alles tot goed me door liet dringen, was de betovering van TLP doorbroken. Het besef brak door dat ik me niet langer hoefde te verliezen in het werk. Ik had de les geleerd die Wittgenstein later in zijn Filosofische onderzoekingen zo nadrukkelijk zou schetsten. De taal – zijn taal – was met mij aan de loop gegaan.

TLP is ook een pretentieus en ijdel boek. Wittgenstein meent ermee alle filosofische problemen te hebben opgelost. In het voorwoord schrijft hij: ‘Daarentegen schijnt me de waarheid van de hier medegedeelde gedachten onaantastbaar en definitief. Ik ben dus van mening de problemen [in de filosofie] in wezen voorgoed te hebben opgelost.’

Na voltooiing van de TLP trok Wittgenstein de consequentie uit zijn eigen lessen. Hij keerde de filosofie en Cambridge de rug toe en vertrok naar Oostenrijk om daar les te geven op enkele basisscholen.

Op zoek naar de kern

Twintig eeuwen lang is de filosofie gedomineerd door de logica van Aristoteles (384–322 v.Chr.). Volgens hem is er sprake van waarheid als het denken overeenkomt met de werkelijkheid. Ware oordelen geven een weergave/representatie van een werkelijke stand van zaken. Een onwaar oordeel spiegelt een werkelijkheid voor die er niet is.

Aristoteles gaat ervan uit dat het oog de dingen waarneemt zoals ze zijn en dat het gehoor de werkelijke geluiden hoort. Onze waarnemingen zijn op zichzelf waar en geven ons een beeld van de werkelijkheid. Fouten ontstaan doordat wij die waarnemingen verkeerd met elkaar verbinden en daardoor onjuiste conclusies trekken.

Wittgenstein vestigt op vergelijkbare wijze de aandacht op iets anders, namelijk op spraakverwarring. Onze taal, de zinnen die we uitspreken, zitten vaak vol met misverstanden. Hij laat zien dat een zin grammaticaal juist kan zijn en tegelijkertijd strijdig is met zijn logische dieptestructuur.[3] Zo ontstaat de verwarring, lijkt het en doen we maar alsof we elkaar begrijpen. We hebben onder zulke omstandigheden niet goed door hoe taal functioneert en welke effecten dat heeft op ons denken en gedrag. Om dat te elimineren formuleert Wittgenstein de afbeeldingstheorie van betekenis. Hierin zet hij uiteen hoe een woord betekenis krijgt. Zodra er een antwoord op deze kwestie is, kun je een scherpe grens trekken tussen zin en onzin. Om dat te bereiken stelt hij een exact notatieschrift voor. Dit is gegrondvest op de zogeheten propositielogica of formele logica, waarbij wordt nagegaan hoe beweringen worden samengesteld en overeenkomen met de stand van zaken in de werkelijkheid.

Maar wat wilde Wittgenstein langs de weg van de logica eigenlijk bereiken? Of hoe zou je tot een nadere interpretatie van de TLP kunnen komen?

Wittgenstein wil door middel van logica de ethiek veiligstellen tegenover zinloos en oeverloos getheoretiseer. Hoewel er volgens Wittgenstein niets zinnigs over ethiek kan worden gezegd, vindt hij deze transcendentale zaken wel bijzonder belangrijk. Het logisch-metafysische deel van TLP plaatst hij in het teken van een ethische doelstelling: wat is het goede leven, hoe kunnen we dat bereiken of bevorderen?

Wittgenstein begaat hiermee niet de fout om uit feiten normen voor ons gedrag af te leiden –  hij trapt niet in de befaamde naturalistische dwaling.[4] Hij bewaakt de grens tussen feitelijkheid en normativiteit streng, waarbij hij het absolute karakter van de ethiek steeds benadrukt.

Ethische beginselen zijn volgens Wittgenstein boven alle subjectivering en relativering verheven, ook al laten ze zich niet via zinvolle uitspraken uitleggen of becommentariëren. Dat maakt ze naar zijn inzicht alleen maar verhevener boven de contingente feiten.

De wijze waarop de wereld zich aan ons voordoet, is voor Wittgenstein een ethische opgave; het is zaak om ermee in harmonie te komen of te zijn. Het is niet gelegen in een bepaalde toestand die moet worden bereikt of vermeden. Elke wijze waarop de wereld zich aan ons voordoet, is voor ons een ethische opgave – niets in de wereld als zodanig is de oplossing. We kunnen of moeten geen ethisch ideaal vooronderstellen, omdat het daarmee onderwerp van discussie en meningsverschil is geworden. Het draait om de toevalligheid van de wereld die zich aan ons voordoet, en daarin ligt de opgave besloten: ermee in harmonie komen of zijn (Stokhof, 2010).

Kaartenhuis

Maar Wittgenstein begint te twijfelen aan zijn uitgangspunten. Hij komt terug op zijn afzwering van de filosofie. In 1929 keert hij terug naar Cambridge en begint hij aan de verbetering van zijn werk. De aanleiding voor deze opmerkelijke gedragswijziging is het werk van de Nederlander L.E.J. Brouwer (1881–1966), een beroemde wiskundige die in maart 1928 in Wenen een lezing hield met de titel ‘Mathematik, Wissenschaft und Sprache’.

Om de wiskunde te bedrijven, zo stelde Brouwer, heb je geen axioma’s nodig. Wiskunde bestaat in je geest als activiteit. Het is een heldere, spirituele wereld die je niet moet reduceren tot formules. Strenge bewijsvoering is voor schoolmeesters, want wat wil je eigenlijk bewijzen? Iets wat je allang in je geest uitgedacht hebt, de constructie, is het bewijs. Het zo sterk gepropageerde logisch perfectionisme blijkt een onhoudbare vooronderstelling.

Het waren onder meer deze gedachten die Wittgenstein weer tot leven wekten en de terugkeer naar zijn filosofische interesses en activiteiten stimuleerden. Hij zag zich gedwongen zijn oude uitgangspunten te herzien. Verdwenen was het geloof in de zuiverheid van de logica die voor zichzelf zou kunnen zorgen. TLP stortte als een kaartenhuis in elkaar. Maar hij beschouwde TLP als een tussenfase op de weg naar verbeterde inzichten en niet als een fatale, onomkeerbare vergissing.

Van 1939 tot 1947 is Wittgenstein actief als hoogleraar in Cambridge. Hij vervaardigt talloze manuscripten en aantekeningen, die pas na zijn dood worden gepubliceerd. Gedurende WOII is Wittgenstein vrijwilliger in een ziekenhuis in Londen. In 1947 neemt hij ontslag om de rest van zijn leven te kunnen wijden aan schrijven en reflectie. In 1951 overlijdt hij aan de gevolgen van prostaatkanker. In 1953 verschijnt Filosofische onderzoekingen, zijn tweede hoofdwerk.

Filosofische onderzoekingen (FO)

 FO laat zich lezen als een commentaar op TLP. Weg is het jeugdige zelfvertrouwen, de overmoed. Het strenge taalidee van TLP raakt op de achtergrond. Hiervoor in de plaats komt een minutieus onderzoek naar de dagelijkse omgangstaal, zonder dat de eerdere logische analyse volledig van het toneel verdwijnt.

In FO hebben de paragrafen een dialogische structuur en zijn ze reflectief van aard. De voorkeur voor deze imaginaire gespreksvorm is te herleiden tot de aloude vraag-antwoordtraditie in de filosofie zoals Plato deze beoefende.

Het eerste deel van FO bestaat uit 693 genummerde paragrafen en is door Wittgenstein zelf gereedgemaakt voor publicatie. Het tweede deel is onderverdeeld in 14 paragrafen, waarvan de lengte varieert van bijzonder kort tot relatief lang.

Wittgenstein oppert om niet het denken maar de uitdrukking van gedachten tot onderwerp van beschouwing te nemen, omdat ons denken het ondenkbare afgrenst. Het is vooral dat laatste wat hem naast taal zijn hele leven bezighoudt.

De gebruikscontext van woorden komt in het centrum van Wittgensteins aandacht te staan. Het probleem is niet meer zozeer dat de logische vorm zich aan het zicht onttrekt maar dat er misverstanden ontstaan omdat we beperkt zicht hebben op het feit dat de betekenis van woorden hun gebruik is. Wittgenstein wijst mentale processen als verklaring voor hoe taal functioneert van de hand. Problemen ontstaan als de taal ‘onjuist’ wordt aangewend en gebruikt.

In FO 132 zegt hij: ‘De verwarring die ons bezighoudt ontstaat als het ware wanneer de taal onbelast draait, niet wanneer zij werkt.’ In FO 123: ‘Een filosofisch probleem heeft de vorm: “Ik weet de weg niet.”’ Wittgenstein stelt voor om een woord in zijn context te beschouwen, te bekijken hoe het in de praktijk wordt gebruikt. De vraag of het al dan niet goed wordt gebruikt, is niet langer interessant.

In FO 7 staat te lezen: ‘Ik zal ook het geheel: de taal en de activiteiten waarmee ze verweven is, het “taalspel” noemen.’ Deze verwevenheid van het talige en niet-talige en de specifieke plaats (en tijd) waarin taalspelen worden toegepast, zijn de steeds terugkerende elementen in FO.

De uiteenlopende taalspelen zijn toepasbaar op diverse situaties, waarbij steeds een ‘familiegelijkenis’ optreedt. Hoewel er voor elke situatie specifieke kenmerken kunnen worden vastgesteld, zijn niet alle kenmerken toepasbaar op alle situaties – zoals leden van een familie op elkaar lijken zonder dat ze precies dezelfde gelaatstrekken hebben.

Wittgenstein laat hiermee zijn afbeeldingstheorie van de werkelijkheid los. Hij is van mening dat het in de filosofie niet langer draait om de werkelijkheid als zodanig maar vooral om de wijze waarop we die conceptualiseren. Er is sprake van een wisselwerking tussen de wijze van conceptualiseren en het geconceptualiseerde. Zijn filosofische onderzoek neigt in toenemende mate naar onze wijzen van zien/kijken en daarmee naar onze levensvorm.

Wittgenstein ondergraaft de traditionele filosofie. Een platoons idee of platoonse vooronderstelling die aan alles voorafgaat, wordt door hem systematisch en weloverwogen afgewezen en ontkend. Onderzoek naar het wezenlijke of naar daarmee samenhangende definities heeft geen zin, omdat deze niet bestaan. Hij hamert op de verstrengeling van gebruik en context (plaats en tijd) en van het gezelschap (de groep) waarin taal optreedt en wordt gebruikt.

Steeds keert hij terug naar het alledaagse taalgebruik, wat een verre van eenvoudige opgave blijkt. In FO 106 zegt hij hierover: ‘Hier is het moeilijk als het ware het hoofd koel te houden – te zien dat we bij de dingen van het alledaagse denken moeten blijven, en niet op een dwaalweg moeten raken, waar het lijkt alsof we de laatste subtiliteiten moeten beschrijven, die we met onze middelen trouwens helemaal niet kunnen beschrijven. We voelen ons net of we een gescheurd spinnenweb met onze vingers in orde zouden moeten brengen.’

Onze oude, vertrouwde cartesiaanse intuïties en vooronderstellingen (bijvoorbeeld: binnen en buiten, lichaam en geest/ziel, subject en object, denken en zijn) worden door Wittgenstein als onjuist bestempeld en effectief aangevallen. Onze taal bepaalt welke dingen er in de wereld zijn. Er is geen diepere rechtvaardiging, ultieme verantwoording. Het ideaal van een zuivere, op zichzelf staande objectiviteit en feitelijkheid is een illusie. Een definitieve/sluitende verklaring is overbodig, kan niet worden gegeven. Juist en onjuist zijn gebonden aan een context of zijn ‘geregionaliseerd’.

In FO beschrijft Wittgenstein zeer nauwkeurig de verschillende gevallen van taalgebruik. Onze ingesleten neiging om te generaliseren wordt ingeruild voor aandacht voor de individuele taaluiting.

Als Wittgensteins nauwgezette en verpletterende notities iets in ons zouden moeten oproepen, dan is het bescheidenheid ten opzichte van gangbare kennisaanspraken van wetenschap en filosofie (Ter Hark, 2013). FO kan in dit opzicht worden beschouwd als een groot losweekproces om uit de greep te komen van de filosofische vooronderstellingen die ons eeuwenlang hebben gedomineerd. Het idee dat taal een weerspiegelingsfunctie heeft, neemt Wittgenstein effectief onder vuur. Mentale processen als verklaring voor het functioneren van taal zijn misleidend. Door je op taal – en in het bijzonder de werking ervan – te richten, kun je traditionele dualistische opvattingen (bijvoorbeeld lichaam en geest) tenietdoen.

Terugblik

Ik kijk terug om de weg die ik heb afgelegd te overzien. Wat is de rode draad in Wittgensteins werk?

Het is niet ongebruikelijk om het filosofische leven van Ludwig Wittgenstein op te delen in twee perioden: het Oostenrijks-Hongaarse tijdvak en het Britse tijdvak. Een dergelijke opsplitsing is gerechtvaardigd als we naar Wittgensteins uiterlijke levensloop kijken, maar niet als we naar zijn intellectuele ontwikkeling kijken. Er is sprake van steeds terugkerende elementen in zijn werk, waar ik in het voorgaande al verschillende aspecten van heb besproken.

Ik wil nog kort op twee opvallende zaken wijzen. Het eerste punt is dat er bij nadere beschouwing eerder sprake is van een grote mate van continuïteit dan van discontinuïteit in Wittgensteins leven en denken. Het belangrijkste verschil is gelegen in het theoretische kader waarbinnen hij (aanvankelijk) opereert en dat later op bepaalde punten drastisch kentert. Maar zijn denkbeelden over ethiek en religie veranderen niet of nauwelijks. Hetzelfde geldt voor het nut en de zin van de filosofie: de notie dat de filosofie vooral praktisch en ‘therapeutisch’ moet zijn en misverstanden aan de kaak moet stellen blijft onverminderd van kracht (Stokhof, 2009).

Het tweede punt dat bijzonder opvalt, is Wittgensteins levenslange strijd tegen filosofisch egocentrisme. Dat is de constante factor die steeds in zijn werk doorklinkt. Hij laat ons steevast zien dat de begrippen en de kennis die we verwerven hun juistheid niet ontlenen aan privé-ervaringen, zoals gevoelens en herinneringen. Wie zo denkt, lijkt op iemand die op één dag tweemaal dezelfde krant koopt om met het tweede exemplaar de juistheid van het eerste exemplaar te beoordelen. Begrippen ontlenen hun juistheid aan publieke regels en handelingen – niet aan ons privédomein. Strekking en moraal laten zich niet verwoorden, zij tonen zich (Ter Hark, 1985).

Bronnen

Michel ter Hark – ‘Helder en toch bijziend’. NRC 20-09-1985.

Michel ter Hark – ‘Ludwig Wittgenstein’. In: Maarten Doorman & Heleen Pott (red.) – Filosofen van deze tijd (2013), p. 37–51.

Gerrit Krol ­– ‘Kon Wittgenstein wel schrijven?’. NRC 29-03-1991.

Martin Stokhof – ‘Ludwig Wittgenstein: Philosophische Untersuchungen 1953’. In: R. Gabriels (red.) – De 20ste eeuw in 10 filosofische boeken (2009).

Martin Stokhof – ‘”Leven zonder hoop of vrees”: stoïsche elementen in de conceptie van het goede leven in Wittgensteins Tractatus’. In: Filosofie november-december 2010, p. 19–27.

Ludwig Wittgenstein – Tractatus logico-philosophicus (vertaald en van een nawoord en aantekeningen voorzien door W.F. Hermans, 1982).

Ludwig Wittgenstein – Filosofische onderzoekingen (2e opl., 2010).

Over dit essay

‘Taal en werkelijkheid’ was een onderdeel van een groter project. In dit werk heb ik een aantal essays en verhalen geschreven met als doel te reflecteren op belangrijke zaken. Deze teksten zijn vaak opgezet als zoektochten of confrontaties. Uiteindelijk zijn deze bijdragen vastgelegd en gepubliceerd in De illusie van de zelfbepaling (2015).

Wil je deze blog nog eens in pdf lezen? Klik dan op: Taal en werkelijkheid

[1] Drs. Arend Klaas Jagersma wil ik hierbij bedanken. Zonder zijn tien bijzondere colleges en uiteenzettingen over Wittgensteins Filosofische onderzoekingen – aan de VU-Hovo-Amsterdam, najaar 2013 – zou deze tekst nooit zijn ontstaan.

[2] Ludwig Wittgenstein was het achtste kind van de schatrijke industrieel Karl Wittgenstein en Leopoldine Kalmus. Hij wordt in 1889 in Wenen geboren. Aanvankelijk studeert hij technische natuurwetenschappen in Berlijn en Manchester. Rond 1910 krijgt hij belangstelling voor filosofie, van 1911 tot 1914 studeert hij bij de Britse filosoof Bertrand Russell in Cambridge. Tijdens zijn vrijwillige diensttijd in het Oostenrijks-Hongaarse leger, gedurende WO I, voltooit Wittgenstein zijn Tractatus logico-philosophicus (1921), veelal aangeduid als Tractatus. In 1929 keert hij terug naar Cambridge. In zijn postuum uitgebrachte Filosofische onderzoekingen (1953) doet hij zich kennen als de grote inspirator van de analytische filosofie.

[3] Neem de volgende twee zinnen: Ajax verslaat Feyenoord; Feyenoord wordt door Ajax verslagen. We zien in één oogopslag dat de grammaticale vorm van de tweede zin niet correspondeert met de logische structuur, iets wat wel het geval is in de eerste zin. Als we die misverstanden niet onderkennen, praten we continu langs elkaar heen.

[4] De Britse filosoof G.E. Moore stelde dat een filosoof deze drogreden begaat wanneer hij een ethische doelstelling wil bewijzen door een beroep te doen op een definitie van het concept ‘goed’ die bestaat uit ‘natuurlijke’ eigenschappen, zoals genotvol, beschaafd of gewenst. Volgens Moore is dit ongeldig, want men kan met betrekking tot deze eigenschappen nog steeds betwisten of ze wel echt goed zijn.

©Bram Zoon 2014

Vernemen en zijn

Waarom is er iets en niet veeleer niets? — Martin Heidegger (1889 – 1976)

Deze notitie is een begin van een reeks over Heideggers vraag naar het iets en het niets. Deze grondvraag naar het Zijn beschouwde hij als de ruimste, diepste en oorspronkelijkste vraag die gesteld kan worden.

Iedere keer als ik gedachteloos word ben ik kalm. Als de dingen en gebeurtenissen me aansporen, me in de ban houden, ben ik rusteloos, bezorgd. Als ik bezinnend denk, valt alles van me af, ben ik zonder doel, besta ik. Anders en dat is het grootste deel van de tijd ben ik ̶ zonder dat ik het voldoende in de gaten heb ̶ bekommerd, spoed ik me letterlijk en figuurlijk van het ene naar het andere. Vanuit dit gezichtspunt is mijn er-zijn nutteloos, vanuit het er-zijn is het rusteloze leeg, onbestemd. Ik ben vol en leeg, niet gelijk- maar volgtijdelijk, beide zijn niet uitwisselbaar. De vraag naar Er-zijn brengt de dubbelzinnigheid van menselijk bestaan aan het licht. Half zijnd, half niet-zijnd ben ik, vandaar is het dat we aan geen ding volledig toebehoren, ook niet aan onszelf.

Steeds weer, moet ik iets achter me laten om bezinnend te zijn, uitstappen uit mijn dagelijkse modus, omkeren naar waar het omgaat. Naar wat er werkelijk toedoet. Ik moet tijd maken voor mezelf, in plaats van me te laten leiden door de aanzuigende krachten van mijn bezigheden.

Weet ik dan wat mij beroert, besef ik waar ik deelgenoot van ben? Ik vraag me af wat is dat, waar ik stil bij sta? Het is de beweging naar het doorgronden, beseffen, het doorstaan van mijn zijn, van mijn aanwezigheid, daar vraag ik naar. Ik vraag naar de grondslag van mijn zijn, mijn denken. Ver weg van mijn dagelijkse bezorgdheden om dit of om dat. Zolang ik het voor me plaats, verlaat het me, als ik me er geen voorstelling van maak, kan ik verstaan, vernemen. Grijpende handen, driftig stappende voeten voorkomen dat ik iets verneem, versta. Dit denken als een weg om het gewone in het alledaagse te laten verschijnen.

Maar wat is dat zijnde, dat voltrekkende zijn? Het is bijzonder en uniek, het verblijven in het zijn is een gebeuren. In het eerdere geval ging alles gewoon door, zonder ons, in dit (andere) bijzondere geval staat alles stil, ben ik onderdeel van een gebeurende werkelijkheid, ik sta er niet langer tegenover. We zijn er als door een schijnbaar toeval in opgenomen.

En dan gebeurt er plotseling iets. Mijn gewone en veilige leventje schudt op zijn grondvesten. Mijn wereld stort plotseling in, ik ben bang en eenzaam. Mijn specialist gaf me slecht nieuws. Dan stelt zich de zijnsvraag nadrukkelijker: wat is eigenlijk mijn leven en wat haar zin?Is er wel iets? Is er niet veeleer niets? Wat is dat het niets? En is vragen naar het niets niet vreemd, onzinnig? Deze vragen vormden voor mij het Turning Point, ik draaide me langzaam om en deed een stap terug. Ik wendde me tot het ongewisse, het beangstigende, ik verliet mijn bescherming.[1]

Door mijn vragen als zodanig gebeurt er iets bijzonders, wordt er iets geopend, onverborgen gemaakt. Mijn vragen slaat terug op mijn ‘waarom?’ Als mijn vragen écht is, als het geen woordenspel is, maar uit innerlijke noodzaak geboren, dan is het alsof ik gehoor geef aan een oproep. Ik heb opeens een laag, een gesteente, een bodem ontdekt die me verrast. Ieder écht vragen opent een onverwachte grond waarop we, ontdaan van onze pretenties en slimmigheden, kunnen staan.

In onze onbedektheid zoeken we ook (steeds) weer naar beschutting. Maar hoe waarachtig is dit zoeken? Zo kan het geloof een dergelijke zorgende rol vervullen, we kunnen de zojuist beschreven denkbeweging dan tot op zekere hoogte mee voltrekken, maar de verwarring dat er toch iets in doorklinkt hoeven we dan niet te doorstaan. We schuiven er dan een heiligmaker tussen. God als stoplap voor de leegheid en de onbestemdheid die in ons rondwaart en die we op deze wijze afweren, buiten de deur houden. We willen dit geloven niet meer bloot stellen aan ongeloof. Dat staat min of meer gelijk aan onverschilligheid. Het sacrale, het intieme, aandachtige van ons vragen hebben we dan de das omgedaan. In het echte vragen geven we onszelf prijs, laat ik mezelf en mijn afweer los. Dit vragen, zoals in de filosofie van Heidegger, is een niet-eigentijds vragen.

De filosofie die Heidegger voorstaat is geen mode, zij wordt niet misbruikt voor de behoeften van de dag. We kunnen deze filosofie van het vragen niet aanleren, zoals we een ambacht of technische kennis kunnen aanleren, die we kunnen toepassen of op haar nuttigheid beoordelen. Maar het nutteloze kan ondanks dit toch een macht van betekenis zijn. We kunnen niet goed zeggen waartoe ze in staat is omdat het ons gegeven wordt. Wel dat zich in ons wankelen tussen zijn en niet-zijn onvermoede mogelijkheden bevinden om ons erzijn (toch) te verstaan.

De zijnsvraag naar waarom is er iets en niet veeleer niets? valt niet te vergelijken met het gewone vragen. Zij moet daarom als het ware vóór-gesteld worden. Als wij ons wezen vragend zoeken, mogen wij ditzelfde filosofische vragen niet vergeten of voor ons uitschuiven zoals we dat kunnen doen bij ons dagelijkse vragen.

[1] Ik heb me in deze alinea laten inspireren door het relaas van Lotte Driessen in Trouw (5 december 2018). ‘Ik voel in mijn buik dat ik leef’.

Literatuur: Martin Heidegger – Inleiding in de Metafysica, 1997.

©Bram Zoon (2018)

Ik, de rots van Calpe

Mijn vlees mag bang zijn; ik niet. Jorges Luis Borges (1899 – 1986)

We maken kennis met Aard die na een lange reis is neergestreken in Calpe op een terras van een uitspanning, recht tegenover de rots. Deze steenklomp is hét herkenningsteken van de Costa Blanca en plaats waar indertijd iets onverwachts en ingrijpends is gebeurd. Een geschiedenis die Aard uit zijn geheugen heeft geprobeerd te wissen, maar dat is hem niet gelukt. Slechts in een verdraaide vorm kondigt zich nu beetje bij beetje aan wat dat is. Hij sukkelt na een lange reis op de strandboulevard in slaap, wordt vervolgens overrompeld door een bizarre dagdroom. Achter de rots, in de verte, is overigens een andere klip waarneembaar die sprekend lijkt op de walvis van het beroemde schilderij van Dali. Maar deze ontsnapt aan de aandacht van Zorgdrager.

Aard tuurt in de verte, hij ruikt het ziltige van de zee. Hij is wat achteraf op het grote terras in de schaduw gaan zitten. Als hij zijn ogen tot dunne streepjes samenknijpt ziet hij dat kleine sliertjes op zijn netvlies de ooglens vertroebelen. Toch is de conditie van zijn ogen niet slecht, hij kan nog steeds, als hij zijn ogen opent, de rots scherp zien. Kinderen spelen, schreeuwen en joelen op het strand. Voor hem zit een oudere dame te dommelen. Na zoveel jaren kijkt hij opnieuw in een mengeling van bewondering en afgrijzen naar de rif, desalniettemin glijdt hij langzaam weg in een lichte en onrustige slaap. De klif wendt zich tot de mensen, spreekt tot hen, tot hem. Het is dusdanig helder dat hij zonder noemenswaardige moeite diens tirade registreert en later reproduceert:

‘Ik, de rots van Calpe ben niet kenbaar. Ik geef mijn geheimen niet prijs. Waarom zou ik? Slechts een enkeling kan me doorgronden. Hoewel deze feiten onweerlegbaar zijn zal ik spreken. Een tip van de sluier oplichten. Dat moment is nu aangebroken.

Daar liggen jullie te wentelen op het strand. Jullie zijn niet goed bij je hoofd, of nauwelijks bewust van de wereld waarin jullie leven. Als de elementen maar even hun gang gaan worden jullie verzwolgen. Verkruimeld en verpulverd in onze woeste granieten vuisten. Een eerbiedig, ingetogen zwijgen zou een gepastere houding zijn, maar jullie willen en kunnen niet luisteren.

De enkelen die ons menen te kennen zitten thuis in spaarzaam verlichte kamers, achter hun computers, te piekeren of te studeren. Ze hopen een glimp van onze ontzagwekkende realiteit te kunnen opvangen, tegelijkertijd zijn ze er doodsbang voor.

Het koude angstzweet staat op de rug van die arme zwoegers en doorweekt hun polo’s. Toch zoeken ze verder. Als zij ons ware gezicht zouden kennen, zouden ze meteen sterven, hun hart zou nooit meer een slag slaan. Omdat het mysterie nooit onthuld of gekend kan worden. Alleen de moedigsten onder jullie mogen het, zij het voor korte tijd, in de verte aanschouwen. Zij zullen voor het leven getekend zijn en alleen nog stamelend kunnen spreken. Zelfs als zij de gave van het woord behouden, zullen ze niet geloofd worden. Dat is hun lot. Zo is het altijd gegaan en zo zal het altijd blijven. Indien die enkeling, dat genie, niet de mogelijkheid had om op enigerlei wijze uitdrukking te geven aan zijn ervaringen, zou hij terstond sterven.

Uitgestoten zal hij zeker worden, maar dat had ik al verteld. Het bijzondere is dat die waarheidzoeker, zo zou ik een dergelijk iemand willen noemen, daar niet om geeft en dat maakt hem voor ons oerkrachten buitengewoon aantrekkelijk. We laten hem nog even aan een dun onzichtbaar touwtje bungelen en vermaken ons kostelijk om zijn vermetelheid. Al snel is hij te uitgeput om nog één woord op papier of een penseel op een doek te krijgen.

Ik, de rots van Calpe, de Peñón de Ifach, zorg er persoonlijk voor dat hij in de lagune, hier vlak achter de verkeersader te midden van de flamingo’s wordt geknikkerd. Daar kan hij zijn laatste levensdagen al doelloos dobberend doorbrengen, in afzondering, zonder medemensen, tussen de honderden gracieuze flamingo’s.

Ik mag dan wel slechts tweehonderddrieëndertig meter hoog boven de Middellandse Zee uitsteken, ik ben indrukwekkend. Niemand kan om mij heen, ik zal altijd gezien worden. Maar ik kan, nogmaals, niet gekend worden, nooit. Daar wil ik geen misverstand over laten bestaan.

Jullie kunnen duizenden foto’s van me maken en me onder leiding van ter zake kundigen beklimmen. De vegetatie bestuderen, diepe gaten in me boren, vanaf mijn top grondig de omgeving analyseren. Dwarsverbanden proberen vast te stellen tussen mij en de rest van de omgeving. De talloze vogels die op mijn flanken broeden spotten. Het zal jullie niet veel baten, ik geef mijn geheimen niet prijs. Jullie doen er goed aan je daarbij neer te leggen.

Als jullie ook maar een fractie van mij zouden doorgronden, zien jullie je geliefden nooit meer terug. In dit verband heb ik daar ooit de beroemde en onlangs overleden Nederlands kunstenaar Armando het volgende over horen beweren: ‘De medemens is niet pluis.’ Dat heeft deze grote schepper en mensenkenner goed begrepen en mild verwoord.

Ik kan ook nog vermelden dat de grote Ernest Hemmingway in de jaren dertig van de vorige eeuw, zijn tenten aan mijn voeten heeft opgeslagen. Misschien heeft hij net als Armando wel iets van mij begrepen. Zijn complete werk ken ik onvoldoende, maar ik weet wel dat het met hem niet goed is afgelopen. Na de aanblik van mijn ontzagwekkende waarheid is hij terstond naar Chili gevlucht. Hij is daar aan de drank gegaan; de langzame zelfmoord. Daarna heeft hij van iedereen verlaten, zich dwars door het gek geworden hoofd geschoten.

Dit feit was me bijna ontschoten omdat ik indertijd met een groot onderzees karwei aan de gang was. Daar in Zuid-Amerika heeft deze beroemde auteur een indrukwekkende tekst samengesteld: ‘The old man and the sea.’ Het kan geen kwaad dit boek te bestuderen, maar het zal jullie niet veel verder helpen of dichter bij mij brengen.

Daar waar ik de zee aanraak ligt soms afhankelijk van het zwakke getij een stukje, of beter gezegd een strookje, ontbloot fijn zand. Dat is een ideale plek, er wordt stom genoeg geen gebruik van gemaakt. Door niemand.

Die zee, de Middellandse Zee, is mijn grote vijand en mijn grote beschermer, allebei tegelijkertijd. Door haar hoef ik mijn geheimen vooralsnog niet prijs te geven. Die onttrekken zich aan jullie waarneming. Tegelijkertijd moet ik voor haar uitkijken, als zij de gelegenheid krijgt om mij te verpletteren, zal zij dat niet laten. Van zulk een tegenstelling tussen de beminden hebben jullie nog nooit gehoord. ‘Daar kunnen jullie niet veel mee,’ zoals jullie tegenwoordig zo fraai plegen te zeggen.

Laat ik nog één ding vermelden, daarna horen jullie nooit meer iets van me. Wij verheugen ons in die strijd, dat biedt ons ongekende mogelijkheden om ons bestaan te grondvesten. Wij hoeven onszelf niet te rechtvaardigen. Wij koesteren onze strijd, jullie zullen hier nooit iets van begrijpen. Nooit! Op die enkeling na uiteraard. Het kan me overigens niet zoveel schelen als ik mezelf tegenspreek. Dat melige gezelschapsspel laat ik graag aan jullie over.

Jullie doen er goed aan om de hier achter gelegen lagune met rust te laten. Ik waarschuw jullie.

Tenslotte. Ik hul me weer in stilzwijgen en laat jullie aan de grillige krachten van het lot over. Dit is het enige dat ik kan en wil doen.’

Aard mompelt in zijn slaap, is het een vloek? ‘Dali, magisch realisme,’ zegt hij als hij wakker wordt. Op zijn licht blauwe polo zitten zweetplekken. De droom houdt hem nog uren daarna bezig, natuurlijk een rots kan niet spreken, maar hij is er niet gerust op. Na enige tijd komt hij tot de slotsom dat de droom een symbolische betekenis moet hebben, hem iets wilde zeggen, aanspreken of wellicht verklaren. Zal hij zich door moed en onverzettelijkheid waar de rots van getuigt laten leiden, of zal hij zijn gedrag door de omstandigheden laten sturen?[1]

© Bram Zoon (2013/2018)

[1] Bram Zoon – De rots van Calpe, 2014.

De uil van Minerva

vliegt slechts uit als het donker wordt.

Met deze vaststelling wordt verwezen naar de mogelijkheid dat wijsheid pas in de herfst van ons leven kan worden verkregen, als ons einde tastbaarder wordt. In het licht van het einde komen we tot waarheid omtrent onszelf en de anderen. Als onze greep op de dingen wegvalt, als we de ontzetting van de leegte kunnen dragen zijn we instaat om ondeelbaar te leven en op dat moment sterven we, vallen we weg in de eeuwigheid.

In mijn nieuwe boek Villa Minerva spreekt de hoofdpersoon Timo Ketelaar in dit verband van een ‘onvoorziene klaarheid van geest’ die hem bij het terugkijken op zijn leven is toegevallen. Laten we eens kijken wat hem is overkomen.

Ketelaar vertelt zijn vrouw Emma dat hij van plan is om zijn laatste dagboek aantekeningen te bundelen. Ik zal iets citeren uit het gesprek dat ze hier hierover hebben:

‘Heb ik het goed dat je uit de losse delen van het dagboek het geheel van je leven wilt afleiden?’

‘Ja, dat is mijn ambitie. Precies. Op een onverwacht moment kijk je terug op je leven. Opeens zie je hoe het is verlopen. De tot dan toe verborgen samenhang komt onverwacht aan de oppervlakte van je bewustzijn drijven. Om deze onvoorziene klaarheid van geest draait het in deze Villa Minerva. Ogenschijnlijk losse en op zichzelf staande gebeurtenissen vallen op hun plaats, vertonen een onverklaarbare en verbluffende samenhang. Schrijver en lezer zien de voorstelling van een bewustwordingsproces, uiteengelegd in deelstappen, aan zich voorbijtrekken.’ Timo kijkt Emma vragend en onderzoekend aan. Zou ze het een werkbaar idee vinden?

‘Een dergelijke ontwikkeling verloopt niet al te gestroomlijnd. Ik zou het jammer vinden als je die indruk zou wekken.’

‘Oké. Eerder grillig, met breuken, sprongen; momenten van groot geluk, pijn en verdriet wisselen elkaar af. Onvoorspelbaar,’ zegt hij instemmend.

‘Ik geloof er wel in, nu jij nog, geef het een kans. Laat het ontstaan en haast je vooral niet.’

Van de hierboven veronderstelde absolute geest, waar we ons pas later bewust van worden, is hier minder sprake. Eerder op een verbrokkelde, gefragmenteerde wijze, verschijnt het aan Ketelaar. Het vermoeden rijst dat het leven zelf ons belemmert om tot bewustzijn te komen. Alsof we tegen de verdrukking in van de tijd tot een klaar inzicht komen, een doorzicht dat we niet zelf hebben ge- en bevorderd, maar dat ons is geschonken. Doordat Timo letterlijk schipbreuk leidt komt hij in een stemming die niet langer beheerst wordt door de bedwelmende perspectieven van het heden, wellicht is dat toch die absolute waarheid? Bijna alles valt in die ruimte van hem af. Behoeft het daarom verbazing dat het centrale motto in mijn boek ‘Toen ik schipbreuk leed, voer ik goed’, is? Dit credo is ontleend aan Arthur Schopenhauer.

Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books

Paperback: 130 pp., € 14,95 – ISBN: 9789402178869

E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

©Bram Zoon (2018)

Vragend denken

Over de kunst van het openlaten

De hieronder geplaatste tekst van Gadamer kwam ik bij toeval tegen op de facebook pagina van Marc van den Bossche.[1] Ik was er meteen door gefascineerd, maar omdat ik het nogal vluchtig had gelezen nam ik me voor om het later wat grondiger te bekijken. Toen ik weer naar de bewuste facebookpagina terugkeerde was het verdwenen. Via hetzelfde medium heb ik hem gevraagd of hij me op enigerlei wijze aan dit tekstje zou kunnen helpen. In minder dan 2 uur stond het tot mijn verrassing in mijn chatbox.

Ter verdere inleiding doe ik een poging om eerst iets over Gadamer en diens kijk op de werkelijkheid te zeggen, daarna volgt dan het betreffende citaat.

De bewuste tekst is van Hans-Georg Gademer (1900 – 1902) en afkomstig uit zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode (1960). Deze Gadamer was een leerling van Heidegger. In mijn oude en vertrouwde syllabus over ‘hermeneutiek’ lees ik dat hij: ‘[…] de implicaties van Heideggers “fenomenologische hermeneutiek” heeft uitgewerkt en meer toegankelijk gemaakt. Gadamers grote verdienste is zijn zorgvuldige exploratie in de mogelijkheden en de grenzen van een filosofische hermeneutiek.’ Het gaat hierbij om de waarheidservaringen die het gangbare wetenschappelijke waarheidsbegrip overstijgen. Iets dat we in het onderstaande citaat goed kunnen zien. Onze zogenoemde objectivistische benaderingswijze van de dingen schiet iedere keer weer tekort. De historische geschiedenis is geen objectief gegeven, zij berust op het vooroordeel dat het een onzijdig, een universeel gegeven is.[2]

‘Het nauwe verband dat tussen vragen en begrijpen blijkt te bestaan geeft de hermeneutische ervaring pas haar ware dimensie. Wie wil verstaan, kan de waarheid van het bedoelde in het midden laten. Hij kan zich van de zich direct opdringende meningen over de zaak terugbuigen naar de betekenisopvatting als zodanig en deze niet als waar, maar louter als zinvol beschouwen, zodat de waarheidsmogelijkheid open blijft – dit openlaten is de eigen en oorspronkelijke essentie van het vragen. Vragen laat altijd mogelijkheden zien die nog openliggen. Daarom kunnen we een vraagstuk niet begrijpen door ons erover te buigen zonder echt te vragen, zoals we een opvatting wel kunnen begrijpen door ons erover te buigen zonder die opvatting te delen. Begrijpen wat voor vragen iets oproept is veeleer altijd al vragen. Tegenover vragen kun je geen puur hypothetische, potentiële houding aannemen, omdat vragen geen poneren, maar zelf uitproberen van mogelijkheden is. Hier wordt vanuit het wezen van het vragen duidelijk wat Plato’s dialogen in hun feitelijke voltrekking demonstreren. Wie wil denken, moet zich dingen afvragen. Ook als iemand zegt: ‘Hier zou je je kunnen afvragen … .’, is dat al echt vragen, alleen in voorzichtige of hoffelijk bedekte termen. Dat is de reden waarom al het begrijpen altijd meer is dan pure inleving in andermans mening. Door te vragen legt het betekenismogelijkheden open, en daarmee gaat wat zinvol is in de eigen opvattingen over. Alleen in oneigenlijke zin kan men ook vragen begrijpen die men niet zelf vraagt, bijvoorbeeld vragen die men als gedateerd of overbodig beschouwt. Dat betekent dan dat men begrijpt hoe onder bepaalde historische omstandigheden bepaalde vragen zijn gesteld. Het begrijpen van vragen betekent dan de betreffende omstandigheden begrijpen, en dat die achterhaald zijn betekent dat de vraag zelf achterhaald is. Denk bijvoorbeeld aan het perpetuum mobile. De betekenishorizon van zulke vragen ligt slechts schijnbaar nog open. Ze worden niet meer als vragen begrepen. Want wat men in zo’n geval begrijpt, is juist dat er geen vraag ligt. Een vraag begrijpen betekent haar vragen. Een mening begrijpen betekent deze als antwoord op een vraag begrijpen.’

Hans-Georg Gadamer – Waarheid en Methode, Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Uitgeverij Vantilt (2014) pag. 357 – 358.

[1] Met dank aan Marc van den Bossche: https://www.facebook.com/marc.vandenbossche.79?fref=nf

[2] Gadamer kwam door dergelijke onderscheidingen tot de ‘rehabilitatie van het vooroordeel’. Elk oordeel is een voorlopig vooroordeel, een voorwaarde voor het doorlopen van een verstaans-beweging.

Persbericht

 Het nieuwe boek van Bram Zoon

 Villa Minerva – Kroniek van een dagboekschrijver

Korte samenvatting

 Inkijkexemplaar

 Autobio

De paperback kan besteld worden via alle bij het Centraal Boekhuis aangesloten Nederlandse- en Vlaamse boekwinkels (incl. bol.com). Het e-book is verkrijgbaar bij de aanbieders die aangesloten zijn bij Kobo – waaronder bol.com.

* * *

 Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books

Paperback: 130 pp., € 16,45 – ISBN: 9789402178869

E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

Zijnsverstaan bij Heidegger

Met de tekst ‘De omkering naar het Zijn’ heb ik mijn onderzoek naar Heideggers zijnsverstaan vastgelegd. Wat ik ervan heb geleerd? In het bijzonder het grote belang van de wijze van reageren op filosofische vragen. Niet meteen ingaan op iets wat aan je wordt voorgelegd of voorgehouden. Beter is het om even in te houden, te denken voordat je reageert.

Stel nu eens dat ik mezelf de volgende vraag zou stellen: ‘Wat heb je eraan, aan Heideggers filosofie?’ Dan zou ik nu het volgende antwoorden: ‘Dat is een typische – niet onbelangrijke (!) – vraag die voortkomt uit het rekenende denken. Een vraag ook die je, als je niet een beetje op je hoede bent, rechtstreeks wil beantwoorden.

Van Heidegger heb ik geleerd terughoudend te zijn tegenover dergelijke vragen, bijvoorbeeld door het stellen van een tegenvraag: Wat is dat voor een vraag? Waarnaar verwijst ze? Uit welke stemming komt ze eigenlijk voort? Maar ook heb ik geleerd dat ons reageren altijd een aan plaats en tijd gebonden denkend vragen is, dat ook anders kan gaan. Maar wel met het doel om elkaar langs de beschouwelijke weg terug te voeren op onze uitgangspunten of vooronderstellingen, deze te laten en niet(-s) te forceren. Om zo openheid te creëren naar het erzijn en daarbij stil te staan. Dat kan een mogelijke – nieuwe en onverwachte – uitkomst zijn. Het betekent een dialoog aangaan met jezelf, met de anderen, maar ook met een tekst, zoals ik heb gedaan in de hoofdstukken ‘Wat heet denken?’ en ‘Het verstaan van de roep’. Dit was een bijzonder nuttige, maar ook – pijnlijke én bevrijdende – leerervaring.

Pijnlijk omdat mijn vermeende oneindigheid ruw is ingewisseld voor het besef van mijn eindigheid, nu drukt de last van de toekomst zwaarder op mijn schouders dan het heden. Maar ook bevrijdend, omdat ik niet langer overgeleverd ben aan datzelfde heden met zijn verslavende mogelijkheden. Niet langer wil en kan ik het mezelf te moeten opgeven uit de weg gaan.

© Bram Zoon (2018)

Philippe Gilbert

Walbeek pakte op een natte november namiddag van het jaar tweeduizendnegen zijn weekendtas uit. Zijn aandacht werd getroffen door een Frans wielertijdschrift dat Lea erin had gestopt. Hij was aangenaam verrast. Het blad stond vol met paginagrote actiefoto’s van zegevierende beroepsrenners. De foto’s waren zo scherp dat je kon zien of de ketting op het buiten- of op het binnenblad lag en wat ze ‘achter’ trapten. Een tweetal renners had hem zo al bladerende getroffen: een Belg, Philippe Gilbert en een Italiaan, Danilo di Luca. Gilbert had tijdens zijn ultieme demarrage bergop 53 x 17 of misschien wel 16 gereden. Jacob had dat zo in één oogopslag gezien. Wat Di Luca draaide kon hij niet zien, vermoedelijk aanzienlijk lichter. Dat Di Luca na zijn opvallende optreden in de afgelopen Ronde van Italië betrapt was op het gebruik van een nieuwe variant van EPO kon hem niet zoveel schelen.

De foto’s van Di Luca en Gilbert knipte Jacob uit, de eerste legde hij in zijn nachtkastje. De foto van de Belg hing Jacob op het prikbord dat recht tegenover zijn bed aan de muur hing. Hij drukte precies op iedere hoek een punaise, de eerste twee boven, in de linker- en in de rechterhoek, trok de foto met zijn rechterhand strak en drukte met zijn linkerhand de punaises in de beide onderste hoeken van de foto. Walbeek keek opnieuw naar de foto op het prikbord. Hij kon zich nog precies herinneren waar en hoe laat het was geweest. Hij had thuis op het puntje van zijn stoel voor de tv gezeten. Buiten regende het fel en onophoudelijk. Gilbert reed die dag de stenen uit de straat, links van hem staan rijen dik de mensen, rechts van de weg staan in de berm rijendik de racefietsen van de wielertoeristen.
De Belg staat op de pedalen en kijkt over zijn rechterschouder. Hij vliegt de Battaglia op. Gilbert is ontketend. Ontbindt zijn duivels. De enige die hem kan volgen is Samuel Sánchez. De Spanjaard hijgt als een paard. Met zijn mond wagenwijd open klampt hij aan. Gilbert kijkt over zijn schouder, hij laat hem bijkomen. Rijdt weer van hem weg. Staat op de pedalen. Speelt met hem. Keer op keer. Kat en muis.
Er zijn dagen dat een renner alles kan. Dat overkwam Gilbert daar in de Giro di Lombardia. Hij liet iedereen met een ogenschijnlijk speels gemak en grote zelfverzekerdheid zijn gat zien.
Hier, op de foto, kon je zien wat de kern van het wielrennen is: anderen je wil opleggen. Je kont laten zien. Het is de essentie van de sport op twee wielen. Alleen de eerste plaats telt. De rest gaat roemloos, afgeserveerd ten onder.
Als eerste over de streep komen is niet onbelangrijk. Maar de wijze waarop is van groter belang. Jaren later praten de renners er nog met elkaar over. ‘Wat je toen deed was onnavolgbaar. Je reed ons allemaal aan gort…’ Het is voor buitenstaanders moeilijk te volgen. Alleen de ingewijden kennen het ontstaan van de splijtende demarrage.
De ronde van Lombardije, ook wel de Koers van de vallende bladeren genoemd, wordt verreden in een heuvelachtig landschap. Rondom het Comomeer. Het is een wedstrijd van ongeveer 260 kilometer. De laatste grote wedstrijd van het seizoen.
In het parkoers is de legendarische Madonna del Ghisallo opgenomen. Deze berg kan echter geen rol van betekenis spelen, hij ligt te ver van de aankomst.
In de afdaling komen peloton en koplopers weer bij elkaar. Op de flanken van de San Fermo della Battaglia is deze koers door de onverwachte versnellingen van de Belg beslist.

Gilbert had in de dagen daarvoor ook al Parijs – Tours, de Coppa Sabatini en de Ronde van Piemonte op zijn naam geschreven. Hij is in de vorm van zijn leven. Op de toppen van zijn fysieke mogelijkheden aangeland. Hij heeft een aangeboren snelheid en kan ook goed bergop rijden. Aanvaller pur sang. Hij heeft vandaag zijn koppie er goed bij. Niets ontgaat hem. Stuk voor stuk gaat hij ze een oor aannaaien.
In een flits doorziet de Belg dat hij de Spanjaard er niet af kan krijgen. Hij weet dat meester-daler Sánchez hem zal bijhalen in de gevaarlijke afzink. Samen gaan ze op Como af. Dit wordt een sprint-a-deux. Gilbert rekent op zijn snelheid. Sánchez legt zich neer bij de suprematie van de Belg. Afgezakte schouders, hoofd in de schoot.

©Bram Zoon (2009)

Het zichzelf voortstuwende verhaal

Een schrijver kan [en moet] veel aan zijn tekst doen. Zo stelt hij levensbeschrijvingen van zijn belangrijkste personages samen, laat ze elkaar – over en weer – interviewen. Vertelperspectieven en tijdlijnen worden onderscheiden. Hij schrijft scenes tot in detail uit en bedenkt een plot, toch is het risico groot – ondanks alle voorbereidingen – dat het een levenloos geheel is en blijft. Voor de hand liggende reacties zijn om het [opnieuw] te laten rusten, terughoudend te zijn, of om kundige buitenstaanders gericht om raad te vragen. Allemaal verstandige zaken. Nog beter is het om op eigen kracht na te gaan waarom het beoogde niet loopt.

Dan na lang wachten en dralen, kan er een moment komen dat de [hoofd-]personen door kleine of grote verschuivingen of weglatingen alsnog tot leven worden gebracht. Die veranderingen zijn het gevolg van toeval én van een systematische zelfbevraging. Er blijkt achter het aanvankelijke verhaal nog een andere waarheid schuil te gaan. Het is iets pijnlijks dat de personages verdringen, ontkennen. Het is een waarheid die zij moeten leren dragen. Dat verloop, hoe dat in zijn werk gaat, wil de schrijver zichtbaar maken, vertellen, aan de vergetelheid ontrukken.

Als die andere werkelijkheid is opgeroepen, is het alsof de personages levendiger zijn geworden en – figuurlijk gesproken – over de schouder van de verteller van hun leven en geschiedenis gaan meekijken. Er is sprake van wederzijds vertrouwen, een leiden en een geleid worden, een wederkerigheid van initiatieven. Een luisteren én uitdagen. Nieuwe en oude beelden vloeien logisch en organisch voort uit de aangepaste verhaallijn. Er zijn nog wel botsingen maar ditmaal met als inzet de zeggingskracht van het verhaal. De karakters  van de personages staan vanaf dat moment niet langer ter discussie maar worden gerespecteerd.

Misschien zijn dit wel de gelukkigste momenten van een auteur, het verhaal gaat eindelijk stromen, soms als een woeste rivier en ook als een rustige beek, het gaat een eigen leven leiden onder en door zijn handen. Al het maandenlange – afgeschreven – voorwerk gaat alsnog vruchten afwerpen, het wordt vlot herschreven of ditmaal met opvallend gemak als onbruikbaar terzijde geschoven.

Door op gezette tijden ‘terug te lezen’ ontstaat er een steeds beter en hecht doortimmerd geheel, waarin alles, tot in de kleinste details, een functie en plaats heeft. Alle overbodigheden worden weggesneden in het belang van de levendigheid, de veelzeggendheid, de ontknoping van het zichzelf voortstuwende verhaal.

©Bram Zoon [2017]