Categorie archief: Recente berichten

Zijnsverstaan bij Heidegger

Met de tekst ‘De omkering naar het Zijn’ heb ik mijn onderzoek naar Heideggers zijnsverstaan vastgelegd. Wat ik ervan heb geleerd? In het bijzonder het grote belang van de wijze van reageren op filosofische vragen. Niet meteen ingaan op iets wat aan je wordt voorgelegd of voorgehouden. Beter is het om even in te houden, te denken voordat je reageert.

Stel nu eens dat ik mezelf de volgende vraag zou stellen: ‘Wat heb je eraan, aan Heideggers filosofie?’ Dan zou ik nu het volgende antwoorden: ‘Dat is een typische – niet onbelangrijke (!) – vraag die voortkomt uit het rekenende denken. Een vraag ook die je, als je niet een beetje op je hoede bent, rechtstreeks wil beantwoorden.

Van Heidegger heb ik geleerd terughoudend te zijn tegenover dergelijke vragen, bijvoorbeeld door het stellen van een tegenvraag: Wat is dat voor een vraag? Waarnaar verwijst ze? Maar ook heb ik geleerd dat ons reageren altijd een aan plaats en tijd gebonden denkend vragen is, dat ook anders kan gaan. Maar wel met het doel om elkaar langs de beschouwelijke weg terug te voeren op onze uitgangspunten of vooronderstellingen, deze te laten en niet(-s) te forceren. Om zo openheid te creëren naar het erzijn en daarbij stil te staan. Dat kan een mogelijke – nieuwe en onverwachte – uitkomst zijn. Het betekent een dialoog aangaan met jezelf, met de anderen, maar ook met een tekst, zoals ik heb gedaan in de hoofdstukken ‘Wat heet denken?’ en ‘Het verstaan van de roep’. Dit was een bijzonder nuttige, maar ook – pijnlijke én bevrijdende – leerervaring.

Pijnlijk omdat mijn vermeende oneindigheid ruw is ingewisseld voor het besef van mijn eindigheid, nu drukt de last van de toekomst zwaarder op mijn schouders dan het heden. Maar ook bevrijdend, omdat ik niet langer overgeleverd ben aan datzelfde heden met zijn verslavende mogelijkheden. Niet langer wil en kan ik het mezelf te moeten opgeven uit de weg gaan.

© Bram Zoon (2018)

Philippe Gilbert

Walbeek pakte op een natte november namiddag van het jaar tweeduizendnegen zijn weekendtas uit. Zijn aandacht werd getroffen door een Frans wielertijdschrift dat Lea erin had gestopt. Hij was aangenaam verrast. Het blad stond vol met paginagrote actiefoto’s van zegevierende beroepsrenners. De foto’s waren zo scherp dat je kon zien of de ketting op het buiten- of op het binnenblad lag en wat ze ‘achter’ trapten. Een tweetal renners had hem zo al bladerende getroffen: een Belg, Philippe Gilbert en een Italiaan, Danilo di Luca. Gilbert had tijdens zijn ultieme demarrage bergop 53 x 17 of misschien wel 16 gereden. Jacob had dat zo in één oogopslag gezien. Wat Di Luca draaide kon hij niet zien, vermoedelijk aanzienlijk lichter. Dat Di Luca na zijn opvallende optreden in de afgelopen Ronde van Italië betrapt was op het gebruik van een nieuwe variant van EPO kon hem niet zoveel schelen.

De foto’s van Di Luca en Gilbert knipte Jacob uit, de eerste legde hij in zijn nachtkastje. De foto van de Belg hing Jacob op het prikbord dat recht tegenover zijn bed aan de muur hing. Hij drukte precies op iedere hoek een punaise, de eerste twee boven, in de linker- en in de rechterhoek, trok de foto met zijn rechterhand strak en drukte met zijn linkerhand de punaises in de beide onderste hoeken van de foto. Walbeek keek opnieuw naar de foto op het prikbord. Hij kon zich nog precies herinneren waar en hoe laat het was geweest. Hij had thuis op het puntje van zijn stoel voor de tv gezeten. Buiten regende het fel en onophoudelijk. Gilbert reed die dag de stenen uit de straat, links van hem staan rijen dik de mensen, rechts van de weg staan in de berm rijendik de racefietsen van de wielertoeristen.
De Belg staat op de pedalen en kijkt over zijn rechterschouder. Hij vliegt de Battaglia op. Gilbert is ontketend. Ontbindt zijn duivels. De enige die hem kan volgen is Samuel Sánchez. De Spanjaard hijgt als een paard. Met zijn mond wagenwijd open klampt hij aan. Gilbert kijkt over zijn schouder, hij laat hem bijkomen. Rijdt weer van hem weg. Staat op de pedalen. Speelt met hem. Keer op keer. Kat en muis.
Er zijn dagen dat een renner alles kan. Dat overkwam Gilbert daar in de Giro di Lombardia. Hij liet iedereen met een ogenschijnlijk speels gemak en grote zelfverzekerdheid zijn gat zien.
Hier, op de foto, kon je zien wat de kern van het wielrennen is: anderen je wil opleggen. Je kont laten zien. Het is de essentie van de sport op twee wielen. Alleen de eerste plaats telt. De rest gaat roemloos, afgeserveerd ten onder.
Als eerste over de streep komen is niet onbelangrijk. Maar de wijze waarop is van groter belang. Jaren later praten de renners er nog met elkaar over. ‘Wat je toen deed was onnavolgbaar. Je reed ons allemaal aan gort…’ Het is voor buitenstaanders moeilijk te volgen. Alleen de ingewijden kennen het ontstaan van de splijtende demarrage.
De ronde van Lombardije, ook wel de Koers van de vallende bladeren genoemd, wordt verreden in een heuvelachtig landschap. Rondom het Comomeer. Het is een wedstrijd van ongeveer 260 kilometer. De laatste grote wedstrijd van het seizoen.
In het parkoers is de legendarische Madonna del Ghisallo opgenomen. Deze berg kan echter geen rol van betekenis spelen, hij ligt te ver van de aankomst.
In de afdaling komen peloton en koplopers weer bij elkaar. Op de flanken van de San Fermo della Battaglia is deze koers door de onverwachte versnellingen van de Belg beslist.

Gilbert had in de dagen daarvoor ook al Parijs – Tours, de Coppa Sabatini en de Ronde van Piemonte op zijn naam geschreven. Hij is in de vorm van zijn leven. Op de toppen van zijn fysieke mogelijkheden aangeland. Hij heeft een aangeboren snelheid en kan ook goed bergop rijden. Aanvaller pur sang. Hij heeft vandaag zijn koppie er goed bij. Niets ontgaat hem. Stuk voor stuk gaat hij ze een oor aannaaien.
In een flits doorziet de Belg dat hij de Spanjaard er niet af kan krijgen. Hij weet dat meester-daler Sánchez hem zal bijhalen in de gevaarlijke afzink. Samen gaan ze op Como af. Dit wordt een sprint-a-deux. Gilbert rekent op zijn snelheid. Sánchez legt zich neer bij de suprematie van de Belg. Afgezakte schouders, hoofd in de schoot.

©Bram Zoon (2009)

Het zichzelf voortstuwende verhaal

Een schrijver kan [en moet] veel aan zijn tekst doen. Zo stelt hij levensbeschrijvingen van zijn belangrijkste personages samen, laat ze elkaar – over en weer – interviewen. Vertelperspectieven en tijdlijnen worden onderscheiden. Hij schrijft scenes tot in detail uit en bedenkt een plot, toch is het risico groot – ondanks alle voorbereidingen – dat het een levenloos geheel is en blijft. Voor de hand liggende reacties zijn om het [opnieuw] te laten rusten, terughoudend te zijn, of om kundige buitenstaanders gericht om raad te vragen. Allemaal verstandige zaken. Nog beter is het om op eigen kracht na te gaan waarom het beoogde niet loopt.

Dan na lang wachten en dralen, kan er een moment komen dat de [hoofd-]personen door kleine of grote verschuivingen of weglatingen alsnog tot leven worden gebracht. Die veranderingen zijn het gevolg van toeval én van een systematische zelfbevraging. Er blijkt achter het aanvankelijke verhaal nog een andere waarheid schuil te gaan. Het is iets pijnlijks dat de personages verdringen, ontkennen. Het is een waarheid die zij moeten leren dragen. Dat verloop, hoe dat in zijn werk gaat, wil de schrijver zichtbaar maken, vertellen, aan de vergetelheid ontrukken.

Als die andere werkelijkheid is opgeroepen, is het alsof de personages levendiger zijn geworden en – figuurlijk gesproken – over de schouder van de verteller van hun leven en geschiedenis gaan meekijken. Er is sprake van wederzijds vertrouwen, een leiden en een geleid worden, een wederkerigheid van initiatieven. Een luisteren én uitdagen. Nieuwe en oude beelden vloeien logisch en organisch voort uit de aangepaste verhaallijn. Er zijn nog wel botsingen maar ditmaal met als inzet de zeggingskracht van het verhaal. De karakters  van de personages staan vanaf dat moment niet langer ter discussie maar worden gerespecteerd.

Misschien zijn dit wel de gelukkigste momenten van een auteur, het verhaal gaat eindelijk stromen, soms als een woeste rivier en ook als een rustige beek, het gaat een eigen leven leiden onder en door zijn handen. Al het maandenlange – afgeschreven – voorwerk gaat alsnog vruchten afwerpen, het wordt vlot herschreven of ditmaal met opvallend gemak als onbruikbaar terzijde geschoven.

Door op gezette tijden ‘terug te lezen’ ontstaat er een steeds beter en hecht doortimmerd geheel, waarin alles, tot in de kleinste details, een functie en plaats heeft. Alle overbodigheden worden weggesneden in het belang van de levendigheid, de veelzeggendheid, de ontknoping van het zichzelf voortstuwende verhaal.

©Bram Zoon [2017]