Categorie archief: Recente berichten

Ik, de rots van Calpe

Mijn vlees mag bang zijn; ik niet.

Jorges Luis Borges (1899 – 1986)

We maken kennis met Aard die na een lange reis is neergestreken in Calpe op een terras van een uitspanning, recht tegenover de rots. Deze steenklomp is hét herkenningsteken van de Costa Blanca en plaats waar indertijd iets onverwachts en ingrijpends is gebeurd. Een geschiedenis die Aard uit zijn geheugen heeft geprobeerd te wissen, maar dat is hem niet gelukt. Slechts in een verdraaide vorm kondigt zich nu beetje bij beetje aan wat dat is. Hij sukkelt na een lange reis op de strandboulevard in slaap, wordt vervolgens overrompeld door een bizarre dagdroom. Achter de rots, in de verte, is overigens een andere klip waarneembaar die sprekend lijkt op de walvis van het beroemde schilderij van Dali. Maar deze ontsnapt aan de aandacht van Zorgdrager.

Aard tuurt in de verte, hij ruikt het ziltige van de zee. Hij is wat achteraf op het grote terras in de schaduw gaan zitten. Als hij zijn ogen tot dunne streepjes samenknijpt ziet hij dat kleine sliertjes op zijn netvlies de ooglens vertroebelen. Toch is de conditie van zijn ogen niet slecht, hij kan nog steeds, als hij zijn ogen opent, de rots scherp zien. Kinderen spelen, schreeuwen en joelen op het strand. Voor hem zit een oudere dame te dommelen. Na zoveel jaren kijkt hij opnieuw in een mengeling van bewondering en afgrijzen naar de rif, desalniettemin glijdt hij langzaam weg in een lichte en onrustige slaap. De klif wendt zich tot de mensen, spreekt tot hen, tot hem. Het is dusdanig helder dat hij zonder noemenswaardige moeite diens tirade registreert en later reproduceert:

‘Ik, de rots van Calpe ben niet kenbaar. Ik geef mijn geheimen niet prijs. Waarom zou ik? Slechts een enkeling kan me doorgronden. Hoewel deze feiten onweerlegbaar zijn zal ik spreken. Een tip van de sluier oplichten. Dat moment is nu aangebroken.

Daar liggen jullie te wentelen op het strand. Jullie zijn niet goed bij je hoofd, of nauwelijks bewust van de wereld waarin jullie leven. Als de elementen maar even hun gang gaan worden jullie verzwolgen. Verkruimeld en verpulverd in onze woeste granieten vuisten. Een eerbiedig, ingetogen zwijgen zou een gepastere houding zijn, maar jullie willen en kunnen niet luisteren.

De enkelen die ons menen te kennen zitten thuis in spaarzaam verlichte kamers, achter hun computers, te piekeren of te studeren. Ze hopen een glimp van onze ontzagwekkende realiteit te kunnen opvangen, tegelijkertijd zijn ze er doodsbang voor.

Het koude angstzweet staat op de rug van die arme zwoegers en doorweekt hun polo’s. Toch zoeken ze verder. Als zij ons ware gezicht zouden kennen, zouden ze meteen sterven, hun hart zou nooit meer een slag slaan. Omdat het mysterie nooit onthuld of gekend kan worden. Alleen de moedigsten onder jullie mogen het, zij het voor korte tijd, in de verte aanschouwen. Zij zullen voor het leven getekend zijn en alleen nog stamelend kunnen spreken. Zelfs als zij de gave van het woord behouden, zullen ze niet geloofd worden. Dat is hun lot. Zo is het altijd gegaan en zo zal het altijd blijven. Indien die enkeling, dat genie, niet de mogelijkheid had om op enigerlei wijze uitdrukking te geven aan zijn ervaringen, zou hij terstond sterven.

Uitgestoten zal hij zeker worden, maar dat had ik al verteld. Het bijzondere is dat die waarheidzoeker, zo zou ik een dergelijk iemand willen noemen, daar niet om geeft en dat maakt hem voor ons oerkrachten buitengewoon aantrekkelijk. We laten hem nog even aan een dun onzichtbaar touwtje bungelen en vermaken ons kostelijk om zijn vermetelheid. Al snel is hij te uitgeput om nog één woord op papier of een penseel op een doek te krijgen.

Ik, de rots van Calpe, de Peñón de Ifach, zorg er persoonlijk voor dat hij in de lagune, hier vlak achter de verkeersader te midden van de flamingo’s wordt geknikkerd. Daar kan hij zijn laatste levensdagen al doelloos dobberend doorbrengen, in afzondering, zonder medemensen, tussen de honderden gracieuze flamingo’s.

Ik mag dan wel slechts tweehonderddrieëndertig meter hoog boven de Middellandse Zee uitsteken, ik ben indrukwekkend. Niemand kan om mij heen, ik zal altijd gezien worden. Maar ik kan, nogmaals, niet gekend worden, nooit. Daar wil ik geen misverstand over laten bestaan.

Jullie kunnen duizenden foto’s van me maken en me onder leiding van ter zake kundigen beklimmen. De vegetatie bestuderen, diepe gaten in me boren, vanaf mijn top grondig de omgeving analyseren. Dwarsverbanden proberen vast te stellen tussen mij en de rest van de omgeving. De talloze vogels die op mijn flanken broeden spotten. Het zal jullie niet veel baten, ik geef mijn geheimen niet prijs. Jullie doen er goed aan je daarbij neer te leggen.

Als jullie ook maar een fractie van mij zouden doorgronden, zien jullie je geliefden nooit meer terug. In dit verband heb ik daar ooit de beroemde en onlangs overleden Nederlands kunstenaar Armando het volgende over horen beweren: ‘De medemens is niet pluis.’ Dat heeft deze grote schepper en mensenkenner goed begrepen en mild verwoord.

Ik kan ook nog vermelden dat de grote Ernest Hemmingway in de jaren dertig van de vorige eeuw, zijn tenten aan mijn voeten heeft opgeslagen. Misschien heeft hij net als Armando wel iets van mij begrepen. Zijn complete werk ken ik onvoldoende, maar ik weet wel dat het met hem niet goed is afgelopen. Na de aanblik van mijn ontzagwekkende waarheid is hij terstond naar Chili gevlucht. Hij is daar aan de drank gegaan; de langzame zelfmoord. Daarna heeft hij van iedereen verlaten, zich dwars door het gek geworden hoofd geschoten.

Dit feit was me bijna ontschoten omdat ik indertijd met een groot onderzees karwei aan de gang was. Daar in Zuid-Amerika heeft deze beroemde auteur een indrukwekkende tekst samengesteld: ‘The old man and the sea.’ Het kan geen kwaad dit boek te bestuderen, maar het zal jullie niet veel verder helpen of dichter bij mij brengen.

Daar waar ik de zee aanraak ligt soms afhankelijk van het zwakke getij een stukje, of beter gezegd een strookje, ontbloot fijn zand. Dat is een ideale plek, er wordt stom genoeg geen gebruik van gemaakt. Door niemand.

Die zee, de Middellandse Zee, is mijn grote vijand en mijn grote beschermer, allebei tegelijkertijd. Door haar hoef ik mijn geheimen vooralsnog niet prijs te geven. Die onttrekken zich aan jullie waarneming. Tegelijkertijd moet ik voor haar uitkijken, als zij de gelegenheid krijgt om mij te verpletteren, zal zij dat niet laten. Van zulk een tegenstelling tussen de beminden hebben jullie nog nooit gehoord. ‘Daar kunnen jullie niet veel mee,’ zoals jullie tegenwoordig zo fraai plegen te zeggen.

Laat ik nog één ding vermelden, daarna horen jullie nooit meer iets van me. Wij verheugen ons in die strijd, dat biedt ons ongekende mogelijkheden om ons bestaan te grondvesten. Wij hoeven onszelf niet te rechtvaardigen. Wij koesteren onze strijd, jullie zullen hier nooit iets van begrijpen. Nooit! Op die enkeling na uiteraard. Het kan me overigens niet zoveel schelen als ik mezelf tegenspreek. Dat melige gezelschapsspel laat ik graag aan jullie over.

Jullie doen er goed aan om de hier achter gelegen lagune met rust te laten. Ik waarschuw jullie.

Tenslotte. Ik hul me weer in stilzwijgen en laat jullie aan de grillige krachten van het lot over. Dit is het enige dat ik kan en wil doen.’

Aard mompelt in zijn slaap, is het een vloek? ‘Dali, magisch realisme,’ zegt hij als hij wakker wordt. Op zijn licht blauwe polo zitten zweetplekken. De droom houdt hem nog uren daarna bezig, natuurlijk een rots kan niet spreken, maar hij is er niet gerust op. Na enige tijd komt hij tot de slotsom dat de droom een symbolische betekenis moet hebben, hem iets wilde zeggen, aanspreken of wellicht verklaren. Zal hij zich door moed en onverzettelijkheid waar de rots van getuigt laten leiden, of zal hij zijn gedrag door de omstandigheden laten sturen?[1]

© Bram Zoon (2013/2018)

[1] Bram Zoon – De rots van Calpe, 2014.

De uil van Minerva

vliegt slechts uit als het donker wordt.

Met deze vaststelling wordt verwezen naar de mogelijkheid dat wijsheid pas in de herfst van ons leven kan worden verkregen, als ons einde tastbaarder wordt. In het licht van het einde komen we tot waarheid omtrent onszelf en de anderen. Als onze greep op de dingen wegvalt, als we de ontzetting van de leegte kunnen dragen zijn we instaat om ondeelbaar te leven en op dat moment sterven we, vallen we weg in de eeuwigheid.

In mijn nieuwe boek Villa Minerva spreekt de hoofdpersoon Timo Ketelaar in dit verband van een ‘onvoorziene klaarheid van geest’ die hem bij het terugkijken op zijn leven is toegevallen. Laten we eens kijken wat hem is overkomen.

Ketelaar vertelt zijn vrouw Emma dat hij van plan is om zijn laatste dagboek aantekeningen te bundelen. Ik zal iets citeren uit het gesprek dat ze hier hierover hebben:

‘Heb ik het goed dat je uit de losse delen van het dagboek het geheel van je leven wilt afleiden?’

‘Ja, dat is mijn ambitie. Precies. Op een onverwacht moment kijk je terug op je leven. Opeens zie je hoe het is verlopen. De tot dan toe verborgen samenhang komt onverwacht aan de oppervlakte van je bewustzijn drijven. Om deze onvoorziene klaarheid van geest draait het in deze Villa Minerva. Ogenschijnlijk losse en op zichzelf staande gebeurtenissen vallen op hun plaats, vertonen een onverklaarbare en verbluffende samenhang. Schrijver en lezer zien de voorstelling van een bewustwordingsproces, uiteengelegd in deelstappen, aan zich voorbijtrekken.’ Timo kijkt Emma vragend en onderzoekend aan. Zou ze het een werkbaar idee vinden?

‘Een dergelijke ontwikkeling verloopt niet al te gestroomlijnd. Ik zou het jammer vinden als je die indruk zou wekken.’

‘Oké. Eerder grillig, met breuken, sprongen; momenten van groot geluk, pijn en verdriet wisselen elkaar af. Onvoorspelbaar,’ zegt hij instemmend.

‘Ik geloof er wel in, nu jij nog, geef het een kans. Laat het ontstaan en haast je vooral niet.’

Van de hierboven veronderstelde absolute geest, waar we ons pas later bewust van worden, is hier minder sprake. Eerder op een verbrokkelde, gefragmenteerde wijze, verschijnt het aan Ketelaar. Het vermoeden rijst dat het leven zelf ons belemmert om tot bewustzijn te komen. Alsof we tegen de verdrukking in van de tijd tot een klaar inzicht komen, een doorzicht dat we niet zelf hebben ge- en bevorderd, maar dat ons is geschonken. Doordat Timo letterlijk schipbreuk leidt komt hij in een stemming die niet langer beheerst wordt door de bedwelmende perspectieven van het heden, wellicht is dat toch die absolute waarheid? Bijna alles valt in die ruimte van hem af. Behoeft het daarom verbazing dat het centrale motto in mijn boek ‘Toen ik schipbreuk leed, voer ik goed’, is? Dit credo is ontleend aan Arthur Schopenhauer.

Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books

Paperback: 130 pp., € 14,95 – ISBN: 9789402178869

E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

©Bram Zoon (2018)

Vragend denken

Over de kunst van het openlaten

De hieronder geplaatste tekst van Gadamer kwam ik bij toeval tegen op de facebook pagina van Marc van den Bossche.[1] Ik was er meteen door gefascineerd, maar omdat ik het nogal vluchtig had gelezen nam ik me voor om het later wat grondiger te bekijken. Toen ik weer naar de bewuste facebookpagina terugkeerde was het verdwenen. Via hetzelfde medium heb ik hem gevraagd of hij me op enigerlei wijze aan dit tekstje zou kunnen helpen. In minder dan 2 uur stond het tot mijn verrassing in mijn chatbox.

Ter verdere inleiding doe ik een poging om eerst iets over Gadamer en diens kijk op de werkelijkheid te zeggen, daarna volgt dan het betreffende citaat.

De bewuste tekst is van Hans-Georg Gademer (1900 – 1902) en afkomstig uit zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode (1960). Deze Gadamer was een leerling van Heidegger. In mijn oude en vertrouwde syllabus over ‘hermeneutiek’ lees ik dat hij: ‘[…] de implicaties van Heideggers “fenomenologische hermeneutiek” heeft uitgewerkt en meer toegankelijk gemaakt. Gadamers grote verdienste is zijn zorgvuldige exploratie in de mogelijkheden en de grenzen van een filosofische hermeneutiek.’ Het gaat hierbij om de waarheidservaringen die het gangbare wetenschappelijke waarheidsbegrip overstijgen. Iets dat we in het onderstaande citaat goed kunnen zien. Onze zogenoemde objectivistische benaderingswijze van de dingen schiet iedere keer weer tekort. De historische geschiedenis is geen objectief gegeven, zij berust op het vooroordeel dat het een onzijdig, een universeel gegeven is.[2]

‘Het nauwe verband dat tussen vragen en begrijpen blijkt te bestaan geeft de hermeneutische ervaring pas haar ware dimensie. Wie wil verstaan, kan de waarheid van het bedoelde in het midden laten. Hij kan zich van de zich direct opdringende meningen over de zaak terugbuigen naar de betekenisopvatting als zodanig en deze niet als waar, maar louter als zinvol beschouwen, zodat de waarheidsmogelijkheid open blijft – dit openlaten is de eigen en oorspronkelijke essentie van het vragen. Vragen laat altijd mogelijkheden zien die nog openliggen. Daarom kunnen we een vraagstuk niet begrijpen door ons erover te buigen zonder echt te vragen, zoals we een opvatting wel kunnen begrijpen door ons erover te buigen zonder die opvatting te delen. Begrijpen wat voor vragen iets oproept is veeleer altijd al vragen. Tegenover vragen kun je geen puur hypothetische, potentiële houding aannemen, omdat vragen geen poneren, maar zelf uitproberen van mogelijkheden is. Hier wordt vanuit het wezen van het vragen duidelijk wat Plato’s dialogen in hun feitelijke voltrekking demonstreren. Wie wil denken, moet zich dingen afvragen. Ook als iemand zegt: ‘Hier zou je je kunnen afvragen … .’, is dat al echt vragen, alleen in voorzichtige of hoffelijk bedekte termen. Dat is de reden waarom al het begrijpen altijd meer is dan pure inleving in andermans mening. Door te vragen legt het betekenismogelijkheden open, en daarmee gaat wat zinvol is in de eigen opvattingen over. Alleen in oneigenlijke zin kan men ook vragen begrijpen die men niet zelf vraagt, bijvoorbeeld vragen die men als gedateerd of overbodig beschouwt. Dat betekent dan dat men begrijpt hoe onder bepaalde historische omstandigheden bepaalde vragen zijn gesteld. Het begrijpen van vragen betekent dan de betreffende omstandigheden begrijpen, en dat die achterhaald zijn betekent dat de vraag zelf achterhaald is. Denk bijvoorbeeld aan het perpetuum mobile. De betekenishorizon van zulke vragen ligt slechts schijnbaar nog open. Ze worden niet meer als vragen begrepen. Want wat men in zo’n geval begrijpt, is juist dat er geen vraag ligt. Een vraag begrijpen betekent haar vragen. Een mening begrijpen betekent deze als antwoord op een vraag begrijpen.’

Hans-Georg Gadamer – Waarheid en Methode, Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Uitgeverij Vantilt (2014) pag. 357 – 358.

[1] Met dank aan Marc van den Bossche: https://www.facebook.com/marc.vandenbossche.79?fref=nf

[2] Gadamer kwam door dergelijke onderscheidingen tot de ‘rehabilitatie van het vooroordeel’. Elk oordeel is een voorlopig vooroordeel, een voorwaarde voor het doorlopen van een verstaans-beweging.

Persbericht

 Het nieuwe boek van Bram Zoon

 Villa Minerva – Kroniek van een dagboekschrijver

Korte samenvatting

 Inkijkexemplaar

 Autobio

De paperback kan besteld worden via alle bij het Centraal Boekhuis aangesloten Nederlandse- en Vlaamse boekwinkels (incl. bol.com). Het e-book is verkrijgbaar bij de aanbieders die aangesloten zijn bij Kobo – waaronder bol.com.

* * *

 Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books

Paperback: 130 pp., € 16,45 – ISBN: 9789402178869

E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

Zijnsverstaan bij Heidegger

Met de tekst ‘De omkering naar het Zijn’ heb ik mijn onderzoek naar Heideggers zijnsverstaan vastgelegd. Wat ik ervan heb geleerd? In het bijzonder het grote belang van de wijze van reageren op filosofische vragen. Niet meteen ingaan op iets wat aan je wordt voorgelegd of voorgehouden. Beter is het om even in te houden, te denken voordat je reageert.

Stel nu eens dat ik mezelf de volgende vraag zou stellen: ‘Wat heb je eraan, aan Heideggers filosofie?’ Dan zou ik nu het volgende antwoorden: ‘Dat is een typische – niet onbelangrijke (!) – vraag die voortkomt uit het rekenende denken. Een vraag ook die je, als je niet een beetje op je hoede bent, rechtstreeks wil beantwoorden.

Van Heidegger heb ik geleerd terughoudend te zijn tegenover dergelijke vragen, bijvoorbeeld door het stellen van een tegenvraag: Wat is dat voor een vraag? Waarnaar verwijst ze? Uit welke stemming komt ze eigenlijk voort? Maar ook heb ik geleerd dat ons reageren altijd een aan plaats en tijd gebonden denkend vragen is, dat ook anders kan gaan. Maar wel met het doel om elkaar langs de beschouwelijke weg terug te voeren op onze uitgangspunten of vooronderstellingen, deze te laten en niet(-s) te forceren. Om zo openheid te creëren naar het erzijn en daarbij stil te staan. Dat kan een mogelijke – nieuwe en onverwachte – uitkomst zijn. Het betekent een dialoog aangaan met jezelf, met de anderen, maar ook met een tekst, zoals ik heb gedaan in de hoofdstukken ‘Wat heet denken?’ en ‘Het verstaan van de roep’. Dit was een bijzonder nuttige, maar ook – pijnlijke én bevrijdende – leerervaring.

Pijnlijk omdat mijn vermeende oneindigheid ruw is ingewisseld voor het besef van mijn eindigheid, nu drukt de last van de toekomst zwaarder op mijn schouders dan het heden. Maar ook bevrijdend, omdat ik niet langer overgeleverd ben aan datzelfde heden met zijn verslavende mogelijkheden. Niet langer wil en kan ik het mezelf te moeten opgeven uit de weg gaan.

© Bram Zoon (2018)

Philippe Gilbert

Walbeek pakte op een natte november namiddag van het jaar tweeduizendnegen zijn weekendtas uit. Zijn aandacht werd getroffen door een Frans wielertijdschrift dat Lea erin had gestopt. Hij was aangenaam verrast. Het blad stond vol met paginagrote actiefoto’s van zegevierende beroepsrenners. De foto’s waren zo scherp dat je kon zien of de ketting op het buiten- of op het binnenblad lag en wat ze ‘achter’ trapten. Een tweetal renners had hem zo al bladerende getroffen: een Belg, Philippe Gilbert en een Italiaan, Danilo di Luca. Gilbert had tijdens zijn ultieme demarrage bergop 53 x 17 of misschien wel 16 gereden. Jacob had dat zo in één oogopslag gezien. Wat Di Luca draaide kon hij niet zien, vermoedelijk aanzienlijk lichter. Dat Di Luca na zijn opvallende optreden in de afgelopen Ronde van Italië betrapt was op het gebruik van een nieuwe variant van EPO kon hem niet zoveel schelen.

De foto’s van Di Luca en Gilbert knipte Jacob uit, de eerste legde hij in zijn nachtkastje. De foto van de Belg hing Jacob op het prikbord dat recht tegenover zijn bed aan de muur hing. Hij drukte precies op iedere hoek een punaise, de eerste twee boven, in de linker- en in de rechterhoek, trok de foto met zijn rechterhand strak en drukte met zijn linkerhand de punaises in de beide onderste hoeken van de foto. Walbeek keek opnieuw naar de foto op het prikbord. Hij kon zich nog precies herinneren waar en hoe laat het was geweest. Hij had thuis op het puntje van zijn stoel voor de tv gezeten. Buiten regende het fel en onophoudelijk. Gilbert reed die dag de stenen uit de straat, links van hem staan rijen dik de mensen, rechts van de weg staan in de berm rijendik de racefietsen van de wielertoeristen.
De Belg staat op de pedalen en kijkt over zijn rechterschouder. Hij vliegt de Battaglia op. Gilbert is ontketend. Ontbindt zijn duivels. De enige die hem kan volgen is Samuel Sánchez. De Spanjaard hijgt als een paard. Met zijn mond wagenwijd open klampt hij aan. Gilbert kijkt over zijn schouder, hij laat hem bijkomen. Rijdt weer van hem weg. Staat op de pedalen. Speelt met hem. Keer op keer. Kat en muis.
Er zijn dagen dat een renner alles kan. Dat overkwam Gilbert daar in de Giro di Lombardia. Hij liet iedereen met een ogenschijnlijk speels gemak en grote zelfverzekerdheid zijn gat zien.
Hier, op de foto, kon je zien wat de kern van het wielrennen is: anderen je wil opleggen. Je kont laten zien. Het is de essentie van de sport op twee wielen. Alleen de eerste plaats telt. De rest gaat roemloos, afgeserveerd ten onder.
Als eerste over de streep komen is niet onbelangrijk. Maar de wijze waarop is van groter belang. Jaren later praten de renners er nog met elkaar over. ‘Wat je toen deed was onnavolgbaar. Je reed ons allemaal aan gort…’ Het is voor buitenstaanders moeilijk te volgen. Alleen de ingewijden kennen het ontstaan van de splijtende demarrage.
De ronde van Lombardije, ook wel de Koers van de vallende bladeren genoemd, wordt verreden in een heuvelachtig landschap. Rondom het Comomeer. Het is een wedstrijd van ongeveer 260 kilometer. De laatste grote wedstrijd van het seizoen.
In het parkoers is de legendarische Madonna del Ghisallo opgenomen. Deze berg kan echter geen rol van betekenis spelen, hij ligt te ver van de aankomst.
In de afdaling komen peloton en koplopers weer bij elkaar. Op de flanken van de San Fermo della Battaglia is deze koers door de onverwachte versnellingen van de Belg beslist.

Gilbert had in de dagen daarvoor ook al Parijs – Tours, de Coppa Sabatini en de Ronde van Piemonte op zijn naam geschreven. Hij is in de vorm van zijn leven. Op de toppen van zijn fysieke mogelijkheden aangeland. Hij heeft een aangeboren snelheid en kan ook goed bergop rijden. Aanvaller pur sang. Hij heeft vandaag zijn koppie er goed bij. Niets ontgaat hem. Stuk voor stuk gaat hij ze een oor aannaaien.
In een flits doorziet de Belg dat hij de Spanjaard er niet af kan krijgen. Hij weet dat meester-daler Sánchez hem zal bijhalen in de gevaarlijke afzink. Samen gaan ze op Como af. Dit wordt een sprint-a-deux. Gilbert rekent op zijn snelheid. Sánchez legt zich neer bij de suprematie van de Belg. Afgezakte schouders, hoofd in de schoot.

©Bram Zoon (2009)

Het zichzelf voortstuwende verhaal

Een schrijver kan [en moet] veel aan zijn tekst doen. Zo stelt hij levensbeschrijvingen van zijn belangrijkste personages samen, laat ze elkaar – over en weer – interviewen. Vertelperspectieven en tijdlijnen worden onderscheiden. Hij schrijft scenes tot in detail uit en bedenkt een plot, toch is het risico groot – ondanks alle voorbereidingen – dat het een levenloos geheel is en blijft. Voor de hand liggende reacties zijn om het [opnieuw] te laten rusten, terughoudend te zijn, of om kundige buitenstaanders gericht om raad te vragen. Allemaal verstandige zaken. Nog beter is het om op eigen kracht na te gaan waarom het beoogde niet loopt.

Dan na lang wachten en dralen, kan er een moment komen dat de [hoofd-]personen door kleine of grote verschuivingen of weglatingen alsnog tot leven worden gebracht. Die veranderingen zijn het gevolg van toeval én van een systematische zelfbevraging. Er blijkt achter het aanvankelijke verhaal nog een andere waarheid schuil te gaan. Het is iets pijnlijks dat de personages verdringen, ontkennen. Het is een waarheid die zij moeten leren dragen. Dat verloop, hoe dat in zijn werk gaat, wil de schrijver zichtbaar maken, vertellen, aan de vergetelheid ontrukken.

Als die andere werkelijkheid is opgeroepen, is het alsof de personages levendiger zijn geworden en – figuurlijk gesproken – over de schouder van de verteller van hun leven en geschiedenis gaan meekijken. Er is sprake van wederzijds vertrouwen, een leiden en een geleid worden, een wederkerigheid van initiatieven. Een luisteren én uitdagen. Nieuwe en oude beelden vloeien logisch en organisch voort uit de aangepaste verhaallijn. Er zijn nog wel botsingen maar ditmaal met als inzet de zeggingskracht van het verhaal. De karakters  van de personages staan vanaf dat moment niet langer ter discussie maar worden gerespecteerd.

Misschien zijn dit wel de gelukkigste momenten van een auteur, het verhaal gaat eindelijk stromen, soms als een woeste rivier en ook als een rustige beek, het gaat een eigen leven leiden onder en door zijn handen. Al het maandenlange – afgeschreven – voorwerk gaat alsnog vruchten afwerpen, het wordt vlot herschreven of ditmaal met opvallend gemak als onbruikbaar terzijde geschoven.

Door op gezette tijden ‘terug te lezen’ ontstaat er een steeds beter en hecht doortimmerd geheel, waarin alles, tot in de kleinste details, een functie en plaats heeft. Alle overbodigheden worden weggesneden in het belang van de levendigheid, de veelzeggendheid, de ontknoping van het zichzelf voortstuwende verhaal.

©Bram Zoon [2017]