Categorie archief: De omkering naar het Zijn

Zijnsverstaan bij Heidegger

Met de tekst ‘De omkering naar het Zijn’ heb ik mijn onderzoek naar Heideggers zijnsverstaan vastgelegd. Wat ik ervan heb geleerd? In het bijzonder het grote belang van de wijze van reageren op filosofische vragen. Niet meteen ingaan op iets wat aan je wordt voorgelegd of voorgehouden. Beter is het om even in te houden, te denken voordat je reageert.

Stel nu eens dat ik mezelf de volgende vraag zou stellen: ‘Wat heb je eraan, aan Heideggers filosofie?’ Dan zou ik nu het volgende antwoorden: ‘Dat is een typische – niet onbelangrijke (!) – vraag die voortkomt uit het rekenende denken. Een vraag ook die je, als je niet een beetje op je hoede bent, rechtstreeks wil beantwoorden.

Van Heidegger heb ik geleerd terughoudend te zijn tegenover dergelijke vragen, bijvoorbeeld door het stellen van een tegenvraag: Wat is dat voor een vraag? Waarnaar verwijst ze? Uit welke stemming komt ze eigenlijk voort? Maar ook heb ik geleerd dat ons reageren altijd een aan plaats en tijd gebonden denkend vragen is, dat ook anders kan gaan. Maar wel met het doel om elkaar langs de beschouwelijke weg terug te voeren op onze uitgangspunten of vooronderstellingen, deze te laten en niet(-s) te forceren. Om zo openheid te creëren naar het erzijn en daarbij stil te staan. Dat kan een mogelijke – nieuwe en onverwachte – uitkomst zijn. Het betekent een dialoog aangaan met jezelf, met de anderen, maar ook met een tekst, zoals ik heb gedaan in de hoofdstukken ‘Wat heet denken?’ en ‘Het verstaan van de roep’. Dit was een bijzonder nuttige, maar ook – pijnlijke én bevrijdende – leerervaring.

Pijnlijk omdat mijn vermeende oneindigheid ruw is ingewisseld voor het besef van mijn eindigheid, nu drukt de last van de toekomst zwaarder op mijn schouders dan het heden. Maar ook bevrijdend, omdat ik niet langer overgeleverd ben aan datzelfde heden met zijn verslavende mogelijkheden. Niet langer wil en kan ik het mezelf te moeten opgeven uit de weg gaan.

© Bram Zoon (2018)

De cirkelvormige tijd

 

‘Het leven is een wiel en het draait en ge ziet altijd iets nieuws en ge ziet altijd hetzelfde.’

Louis Paul Boon (1912 – 1979)

Uit het essay ‘De cirkelvormige tijd’ van Jorge Luis Borges[1] komt mijn illusieloze Facebook citaat[2], met het drievoudige ‘De leer van de cycli’ vormt het zijn verweer tegen Nietzsche leer van de Eeuwige wederkeer.[3]  Het FB-citaat is overigens van Schopenhauer, iemand die Borges zijn hele leven heeft bewonderd. Maar het gaat er hier nu om dit citaat enigszins in te bedden in de bedoelingen die Borges hierbij voor ogen stonden.

Borges haalt Marcus Auerelius aan: ‘Al telde jouw leven 3000 of 10 x 3000 jaren, bedenk dat niemand een ander leven verliest dan wat hij leeft en dat hij geen ander leven leeft dan dat hij verliest. De langste en de kortste termijn zijn derhalve identiek. Het heden is er voor iedereen; sterven is heden, een zeer korte tijdspanne verliezen. Niemand verliest het verleden of de toekomst want me kan niemand afpakken wat hij niet heeft. […]’.

“Als we bovenstaande regels met enige ernst lezen […] , zullen we zien dat ze twee curieuze gedachten verwoorden en vooronderstellen. De eerste is dat ze het verleden of de toekomst werkelijkheid ontzeggen. Zij komt tot uitdrukking in deze passage van Schopenhauer: “De verschijningsvorm van de wil is alleen het heden, niet de toekomst of het verleden; die bestaan slechts als denkbeeld en in samenhang met het bewustzijn, voor zover dat is onderworpen aan het redelijkheidsbeginsel. [en dan volgt nu het gebruikte citaat] ‘Niemand leeft in het verleden geleefd en niemand zal in de toekomst leven; het heden is de vorm van alle leven.’ De tweede ontkent net als Prediker dat er ooit iets nieuws onder de zon is. De gissing dat alle ervaringen van de mens (op een of andere manier) analoog zijn, kan op het eerste gezicht overkomen als eenvoudige verarming van de wereld.”

Borges rondt dan uiteindelijk als volgt af: ‘In tijden van bloei kan de gedachte dat het bestaan van de mens een constante, onveranderlijke kwantiteit is, tot triestheid stemmen of irriteren; in tijden van verval (zoals de huidige) betekent het de belofte dat geen enkel smaad, geen enkele ramp, geen enkele dictator ons ooit kan verarmen.’

©Bram Zoon (2018)

[1] Geboren 24 augustus 1899, Buenos Aires, Argentinië Overleden: 14 juni 1986, Genève, Zwitserland.

[2] ‘Niemand leeft in het verleden geleefd en niemand zal in de toekomst leven; het heden is de vorm van alle leven.’

[3] Jorg Luis Borges, De essays, 2016, pag. 245 – 261. De hier aangehaalde uiteenzettingen werden overigens in ‘De geschiedenis van de eeuwigheid’ (1936) gepubliceerd.

Het rijk van het zijn (2)

De herkomst van het Facebook citaat heb ik kunnen achterhalen. Het is afkomstig uit Tirade, jaargang 24 (nrs. 252-261)(1980). En wat ik al vermoede wordt meteen bewaarheid. We zien namelijk meteen dat het Facebook (zie ‘Het rijk van het zijn’ [1])citaat volledig uit zijn verband is gerukt. Tussen de laatste regel en de voorgaande tekst ontbreekt een belangrijk gedeelte, onder andere een aanhaling van Judith Hertzbergs ‘Ziekenbezoek’. [1] Verderop zal ik zelf iets laten zien wat een geheel ander licht werpt op deze tekst en wat gemakshalve is weggelaten.

Ik geef hierbij de link, de lezer kan dan – desgewenst  – zelf zien hoe onbeholpen en is geciteerd: http://www.dbnl.org/tekst/_tiop r001198001_01/_tir001198001_01_0071.php

Waarom doet zo iemand dat, zó citeren? Ter meerdere eer en glorie van zichzelf, het snelle gewin? Is het uit domheid, onwetenheid? Waarom beschadigt diegene De Conincks gedachtegoed, diens toelichting en herneming? Heeft een dergelijke brute toe-eigening ook maar iets met ‘het rijk van het zijn’ van doen?

Wat blijkt namelijk, als we het Tirade artikel ‘Over de troost van pessimisme’ (nb!) lezen? Ik citeer:

Eigenlijk zeg ik dit achteraf. Als ik het toen gezegd had, was ik een goeie leraar geweest. Het was wat ik ongeveer had kunnen zeggen, had ik niet met de mond vol tanden gestaan. Hoe langer ik sindsdien echter over die vraag gedacht heb, hoe minder dom ik ze ging vinden, maar hoe onvollediger mijn antwoord erop.

Poëzie dient namelijk wèl ergens toe.

Het zou te gemakkelijk zijn, dat te bewijzen met voorbeelden van geëngageerde poëzie, Neruda, Brecht, Nicolas Guillèn: daar krijg je eventueel nog een bruikbare verontwaardiging van mee, een protest waar mee te werken valt. Net zoals religieuze poëzie, voor wie gelooft, nuttig kan zijn, omdat ze je nader brengt tot?

Het is verbluffend hoe kortzichtig en leeghoofdig men op Facebook aan de loop kan gaan met andermans spullen en bovendien een misplaatst beeld oproept van wat in dit geval De Coninck wilde zeggen.

© Bram Zoon (2018)

[1] ‘Ziekenbezoek’ van Judith Herzberg:

 ‘Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee, toch niet,
je moet het maar eens proberen.’

 

 

Het rijk van het zijn (1)

Ik sta stil bij een aan Herman de Coninck (Mechelen, 21 februari 1944 – Lissabon, 22 mei 1997) toegeschreven passage:

Toen ik ooit lesgaf, poëzie aan jongens die daar helemaal niet om gevraagd hadden, was de eerste vraag: moeten we dat kennen voor het examen? Nee, voor het leven, zei ik. En de tweede vraag was: waartoe dient dat dan? Ik vond dat een erg domme vraag, en probeerde kwaadaardig te onthouden wie ze gesteld had. Poëzie dient namelijk nergens toe, en dat is op zich al een verdienste. Deze wereld wordt verpest door zijn utilitarisme, als iets niet meer meteen winstgevend is, deugt het niet. Dus leve het nutteloze. Waartoe dient een wandeling door het bos? Hoeveel is dat waard? Wat mag zo’n bos kosten? Hoeveel kost stilte? [en dan opeens, pardoes, alsof het uit de lucht valt…] Poëzie behoort tot het rijk van het zijn.

Dit citaat trof ik zo in deze vorm aan op Facebook en ik deelde het terstond op mijn pagina omdat ik het een bijzondere en mooie tekst vond. Maar bij nader inzien is er iets goed mis met deze tekst, het heeft iets misleidends en kroms in zich. Zo is de vraag waarmee de leraar werd geconfronteerd ‘waartoe dient dat dan?’ geen domme maar juist een verstandige en kansrijke vraag om over het rijk van het zijn na te denken. Ik begrijp die kwaadaardige reactie van deze man niet goed. Waarom is het zo erg om met de mond vol tanden te staan, begint daarmee niet juist alle ‘zijnsverstaan’? Misschien is het gekwetste ijdelheid, als dat zo is heeft de onderwijzer er zelf niet veel van begrepen.

Poëzie zou tot de categorie van het nutteloze behoren. Maar zo bont heb ik het nog niet vaak gehoord of gelezen. Omdat het nutteloze juist de aanwezigheid van nut vooronderstelt netzo als zinloosheid zin. Poezie dusdanig afdoen is nogal wat en heeft alles van het kind met het badwater weggooien. En waarom eigenlijk ‘nut’ en geen andere categorie, bijvoorbeeld ‘betekenis’? Nutteloos lijkt hier een nogal willekeurig gekozen categorie en geen recht te doen aan haar vermeende tegendeel ‘zijn’. Het nuttige lijkt te zijn aangewend om het punt van het zijn te forceren of er bij te slepen, het is de argumentatie en de doordenking die in deze goed ogende passage rammelt. Maar misschien is dit verkeerd of slordig geciteerd, of uit zijn context gelicht, reden genoeg om de herkomst en de strekking van dit citaat te achterhalen en op zijn merites te beoordelen. Wordt vervolgd.

© Bram Zoon (2018)

Mijn klaagzang

Allen worden we naar het zelfde einde gedreven. Horatius (65 v.Chr. – 8 v.Chr.)

 Niemand sterft voor zijn tijd. Michel de Montaigne (1533 – 1592)

Naast chronisch ontstoken bijholten kamp ik al geruime tijd met kwetsbare longen. Daar is sinds enkele maanden een ongeneselijke woekering van witte bloedlichamen in mijn beenmerg bijgekomen. Onlangs werd, tijdens een afsluitende consult bij de neuroloog, een nieuw feit aan mijn treurzang toegevoegd, namelijk CIAP dat staat voor chronische idiopathische axonale polyneuropathie.

Er kunnen bij dit ‘viertallige complex’ verschillende ‘ontische’ vragen worden gesteld, bijvoorbeeld: hoe en in welke mate hangen deze aandoeningen en hun mogelijke behandelingen samen, staan ze op zich zelf, is er sprake van gelaagdheid of is de ene de oorzaak of het gevolg (symptoom) van de ander? Zo zou je kunnen zeggen dat de bijholten een gevolg zijn van de lymfklierkanker en dat deze bij nader inzien de problemen met mijn longen heeft uitgelokt. Welke rol CIAP hierbij speelt is momenteel onduidelijk.

Voor alles en dat is onbetwistbaar lokt dit geheel van aandoeningen vermoeidheid uit en natuurlijk de ‘ontologische’ vraag hoe je je tot ziekte en ziekzijn zou moeten verhouden? Beslissend is denk ik de houding die je (ongemerkt) aanneemt. Ik merk een wisseling van stemmingen op tussen gelatenheid en alertheid, tussen het over je heen laten komen en waakzaamheid, gejaagdheid. Een lastig te combineren tweetal waardoor momenten van helderheid onvermijdelijk worden afgewisseld met perioden van onrust.

Voert het nu te ver om te vragen of er wellicht ook van een zekere dankbaarheid sprake is? Nee, allerminst! Ik ben blij met de duidelijkheid over de achtergrond van mijn klachten en voor het feit dat er een prikkelend beroep wordt gedaan op mijn vermogen om te bestaan, om er gewoonweg te zijn.

Gezondheid en ongezondheid bestaan als zodanig niet, beter is het om van een staat van (on-)gezondheid te spreken. Beide dienen op elkaar te worden betrokken en afgewogen, dat wist ik natuurlijk al langere tijd. Maar nu ik met de neus op de onontkoombare feiten ben gedrukt staat me dat allemaal helderder en beter voor de geest. Maar laat ik dit eerst wat verder toelichten. Stel nu eens dat mijn longproblemen snel en onverwacht toenemen, of dat er tegelijkertijd hart- en of nierklachten over een wat langere periode bijkomen. Dan zou het wel eens kunnen dat de balans tussen draagkracht en draaglast dusdanig verstoord wordt dat je het niet meer kunt navertellen.

Een belangrijk maar niet direct grijpbaar element bij ziek-zijn is de wil tot genezing. Ik geef opnieuw een voorbeeld, stel nu eens dat er een medicijn bestaat waarmee mijn long- en bijholte problemen onder controle worden gebracht. Dan zou er meer energie vrijkomen om de woekering in mijn beenmerg te weerstaan of het hoofd te bieden. Je zou wel gek zijn als je daar niet met buitengewone belangstelling naar zou uitkijken of alert op zijn.

Ziekte is ook een regelrecht treffen met de leegte van het bestaan. Het is de confrontatie met de laatste waarheid. De wereld doet zich getekend door een levensbedreigende ziekte plotseling anders aan mij voor. Waarom ik? bonst het in momenten door de getroffenen heen. Het is deze vraag die volgens Nietzsche niet mag worden ontkent of weggedrukt. Het is mensonwaardig om deze confrontatie te weigeren en in plaats daarvan zich met een ‘zoet, maar werkeloos placebo’ tevreden te stellen. Juist dan mogen we geen voorrang geven aan ons verlangen naar zekerheid en geborgenheid. Daarmee doet ziekte ook een groot moreel appèl op mij, op ons. Dit noemt Nietzsche de grote gezondheid: ‘een gezondheid die is verrijkt met het inzicht in de wereld zoals zij is, zonder verborgen wortels, zonder waarheid en troost’.

Hierboven sprak ik over er zijn, deze hoedanigheid wil ik bij wijze van afronding nog wat onderstrepen. Zij laat zich niet plaatsen of categoriseren in schema’s van gezondheid en ziekte… Hoe goed is het om aandachtig bij jezelf te verblijven, in de stilte de bewegingen van je innerlijke leven gade te slaan. Wat ben je sterk als je die door je heen laat trekken, zonder een spoor van zelfverwijt, verlangen of korzeligheid. Welk een spankracht heb je dan bereikt, zo uniek, een die je tot dat moment niet goed voor mogelijk hield. Je leeft en staat in de tijd.

© Bram Zoon (2017)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Verloren wereld

                                                                 Waaraan ontbreekt het ons als het ons aan niets ontbreekt, als we genoeg hebben aan onszelf? J. M. Coetzee (1940 – )

Gejaagd zoek ik op het internet, dan stuit ik op deze foto. Ik speur  voor een goed begrip naar meer over een citaat uit De schooljaren van Jezus maar deze foto dwingt mij tot stilstand en inkeer. Het bijzondere is bovendien dat er onmiskenbare raakvlakken zijn tussen het citaat en deze foto. Deze afbeelding (van Ian McDonell/Getty Images) schetst meer dan woorden vermogen te zeggen. Het verwijst naar een wereld die we nog slechts herkennen in ons verlangend zoeken en in het hiervoor wegvluchten. Een wereld die zich soms toont maar zich meestal verborgen houdt, het is een wijze van zijn die niet vanzelfsprekend noch opeisbaar is. Een wereld waarbij onze machteloze pogingen om iets van haar te ontsluiten verbleken; zij laat zich niet ontzetten, zodra wij haar naderen trekt zij zich terug.

‘Zoals we weten, laten we ons voormalige bestaan achter ons vanaf de dag dat we in dit leven arriveren. We vergeten het. Maar niet helemaal. Sommige overblijfselen van ons voormalig bestaan blijven intact: geen herinneringen in de gebruikelijke zin des woords maar wat we schaduwen van herinneringen kunnen noemen. Daarna, als we gewend raken aan ons nieuwe leven, vervagen zelfs die schaduwen, totdat we onze oorsprong volledig vergeten zijn en accepteren dat wat onze ogen zien het enige leven is dat er is.’ Bron: J.M. Coetzee – De schooldagen van Jezus, pag. 81, 2016.

De drie hoofdpersonen in mijn nieuwste boek zijn ieder op hun eigen wijze geraakt door deze verborgenheid, hun harten zijn rusteloos. Zij hebben slechts een vaag vermoeden wat de herkomst is van deze gejaagdheid. Zal het lot hun toestaan om ook maar iets van dit geheim te ondervinden? Wellicht hebben de omstandigheden waaronder zij leven toch weer de overhand gekregen zodat er van een verschijning van deze waarheid geen sprake meer kan zijn? Of is dit alles vergeefs,  ijdele en misplaatste hoop?

  © Bram Zoon (2017)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Mijmeringen

oostvoornse-meer

Mijmeringen aan het Oostvoornse Meer. Als een geliefd persoon ons ontvalt zeggen we: “het is vreemd dat hij of zij er niet meer is.” Langzaam of abrupt dringt het besef van het achterblijven, van het onomkeerbare afscheid, tot ons door. Over het tegendeel, het wonder dat wij er zijn, verbazen wij ons kennelijk minder. Aan onze geliefden wordt ons veel over wie wij zijn verteld.

Het ‘ik’ in de filosofie

het ik in de filosofie 2

Het ‘ik’ is in de filosofie niet onomstreden. Zo voerde Ludwig Wittgenstein een levenslange strijd tegen het filosofisch egocentrisme. Hij laat ons steeds zien dat de begrippen en de kennis die we verwerven hun juistheid niet ontlenen aan privé-ervaringen, zoals gevoelens en herinneringen. Begrippen ontlenen hun juistheid aan publieke regels en handelingen – niet aan ons privédomein. Bij Martin Heidegger is er sprake van totaal andere kijk op het ‘ik’, bij hem staat de ondoorgrondelijkheid van onze individualiteit centraal.[1] Ons er-zijn is raadselachtig omdat het niet opeisbaar of rechtstreeks benaderbaar is; naar de mate waarin we het onderzoeken of bevragen zal het zich terugtrekken. Met Heideggers denkwijze wil ik deze vaststelling wat verder toelichten en mijn [voorlopige] conclusie over het ‘ik’ enigszins inbedden.

Ons zijn in de wereld onttrekt zich aan het alledaagse structurerende, om dit verborgene zijn op het spoor te komen stelt Heidegger voor om een stap terug te zetten in ons denken, niet vooruit zoals we in ons gewone – oplossende – leven gewend zijn. In die vertrouwde vorm is de kans groot dat we ons wezen overslaan, vergeten, of zoals Heidegger benadrukt kwijtraken. Hij bepleit nadrukkelijk een verblijven in ons er-zijn. Dit overwegen is een gewaarworden van ons wezen, een daar in verblijven en ons er [op een uiteenzettende wijze] mee verstaan. Denken heeft bij hem niet de oude en vertrouwde betekenis van het leren begrijpen, het is het opgaan in ons wezen van er [mogen en kunnen] zijn. De mens is bij hem ‘de hoeder van het zijn’.

De voor de hand liggende stap naar voren gaat nog te zeer uit van een be-grijpende ik, een over-meesterende ik die de wereld en de dingen opvordert of opeist, terwijl de stap terug uitgaat van de herkenning van ons wezen, van ons er-zijn.[2] Heideggers denken is of lijkt daarmee niet ik georiënteerd, het draagt niet of minder de kenmerken van een ‘oplossend vermogen’ in zich. We kunnen dit zijn niet naar onze hand zetten. Het verwerkelijkt zich in ons, het realiseert zijn eigen zichtbaarheid en tastbaarheid. Het wordt ons gegeven, het komt of valt ons toe, het is – zo lijkt hij te zeggen – ‘genade’. Het gaat hierbij niet om iets diepzinnigs, of om ingewikkelde begrippen maar het verbergt zich in de stap-terug, zoals Heidegger herhaaldelijk zegt.[3]

Heideggers denken staat in het teken van ons wezen, van ons mens-zijn, van het er-zijn. Het ware denken vloeit uit haar [dat is ons wezen] voort. Het wezen, of het zijn, dient de kans te krijgen om zich te tonen, zich vanuit zichzelf te manifesteren. Heidegger spreekt van: ‘voortbrengen’, van ‘te voorschijn laten komen’, van ‘ontbergen’. [4] Dit nu is met de vraag naar onze individualiteit een belangrijk beginpunt in zijn filosofie.

Mijn conclusie luidt nu dat het ik [als zodanig] een misleidend en oneigenlijk concept is, er wordt een veel te grote betekenis en belang aan toegeschreven. Het vragende ik verdwijnt of lost op zodra het antwoord op de vraag naar wat het wezen van de mens is zich in ons voltrekt. Dat mag dan zo zijn, toch kan het ik zeker wanneer er de hier bedoelde transformatie uitblijft zich aan ons blijven opdringen. Toch moet ook Heidegger de dwang van het ‘ik’ gezien hebben, anders was hij niet op ‘De omkering naar het Zijn’ en haar tegendeel de [voortschrijdende] ‘zijnsvergetelheid’ en ‘zijnsverlatenheid’ gekomen? Hij geeft aan deze raadselachtigheid van onze individualiteit een werkelijke grootse wending door op onze ‘gestemdheid’ te wijzen die ons steeds weer terug naar en op het Zijn kan leiden. [5]

Het Dasein is als in-de-wereld-geworpen-zijn en kan ‘eigenlijk’ of ‘oneigenlijk’ zijn; het kan zichzelf als geworpen ontwerp kiezen, of het kan zichzelf verzaken en zich verliezen in het ‘Men’. Heidegger beschrijft de hardnekkigheid van de oneigenlijkheid: de neiging van het Dasein te denken en te doen zoals ‘men’ denkt en doet. Deze oneigenlijkheid laat zich niet eenvoudig te boven komen; zij wordt niet doorbroken door kritische zelfbezinning [de stap naar voren], maar door een ontvankelijkheid voor de grondstemming van de angst [de stap terug].

Noten

[1] Heidegger spreekt van ons ‘in de wereld geworpen zijn’. Dit geworpen zijn, licht hij als het volgt toe: ‘Het menselijke bestaan (Dasein) is geworpen en het zijn heeft zich als last geopenbaard, want: Heeft ooit een menselijk bestaan er als zichzelf vrij over beslist, en zal het er ooit over kunnen beslissen of het al dan niet in het “bestaan” wil komen?’ [Rüdiger Safranski – Heidegger en zijn tijd (2000) pag. 16.] Het Dasein heeft zichzelf niet in de wereld gebracht. Het heeft te zijn. “De mens is gedoemd vrij te zijn”, zou Sartre later schrijven. Bij Heidegger is ons tijdelijke – zich voltrekkende – bestaan een Zijn ten dode, wij leven de dood tegemoet;  inlopen op de dood. Tijd [tijdelijkheid] en is een ander belangrijk begrip in Heideggers denken.

[2] Wij hebben vergeten de vraag naar het zijn te stellen en dat feit zijn we bovendien vergeten. Heidegger spreekt van een tweevoudige of dubbele ‘zijnsvergetelheid’. Hij wil door middel van een fenomenologische analyse het licht werpen op de ‘zin van zijn’. Een van de belangrijkste verdiensten van de fenomenologie is, dat zij de zogenoemde subject-object scheiding te boven komt. De mens bevindt zich niet als een geïsoleerd subject tegenover de objectieve wereld, maar is altijd al ‘in-de-wereld’. Vanuit deze traditie zegt Heidegger niet ik denk, maar het denkt in mij.

[4]In een ander verband wil ik uitgebreider en nadrukkelijker terugkomen op de fenemenologische [en hermeneutische] benadering die Heidegger voorstaat.

[5] Heidegger kent grote betekenis toe aan stemming boven het denken. In feite relativeert hij het denken. ‘In Sein und Zeit (1927) had Heidigger beklemtoond dat het bestaan, en dus ook het denken, altijd doortrokken is van stemmingen. In indrukwekkende analyses van de angst en de verveling had hij laten zien hoe grondstemmingen ons losweken uit de vertrouwde alledaagse bedrijvigheid en ons confronteren met het naakte zijn.’ Veronica Vasterling – Martin Heidegger, in Filosofen van deze tijd, samengesteld door Maarten Doorman en Heleen Pott, 2013, pag. 23 – 36. Het denken van Heidegger voor 1935 is doortrokken met onze wijze van ‘gestemd’ zijn; uiteindelijk plaatst hij stemming boven denken.

Guardamar (Costa Blanca) © Bram Zoon (2015)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren