Maandelijks archief: maart 2016

Terugblik op ‘de verloren tijd’ (1)

Marcel-Proust-007Alles is bedrog, alles staat de hoofdpersoon in ‘op zoek naar de verloren tijd’ van Marcel Proust (1871 -1922) tegen, niets verschaft hem meer bevrediging of voldoening. Het lijkt alsof de verteller op deze vaststelling tegen ons zegt: het leven kan eigenlijk niet direct geleefd worden. En juist door die ontdekking en de eraan gekoppelde erkenning ervaart de protagonist ‘de schoonheid van het onvervulbare’. Daar gaat Proust ons voor en zo vindt deze hoofdpersoon dan alsnog zijn bestemming:  niet door de wereld van de dingen de rug toe te keren, maar door zich in haar te verliezen. [1]

De grondlegger van de fenomenologie Husserl heeft eens gezegd: ‘Je moet eerst de wereld […] verliezen om haar in een universele zelfbezinning terug te vinden’. Als een ‘handopheffing tegen God. Een leven dat losgescheurd en op zichzelf teruggeworpen wordt.’
Proust wil ons in dit licht steeds niet over, maar vanuit de ondervonden wereld laten kijken en deelnemen. Je moet de moed hebben om radicaal te vragen, dusdanig dat je je hele innerlijke leven en uiterlijke existenties op het spel durft te zetten. ‘Dit leven, waarin we onszelf aantreffen’, kunnen we, zegt de door Husserl beïnvloede Heidegger, ‘niet van buitenaf beschouwen, we zitten er altijd midden in, omsingeld door de details ervan. We slijten ons leven, maar we kennen onszelf niet. We zijn onszelf in een blinde vlek. Als we voor onszelf doorzichtig willen worden, vergt dat een inspanning die op het [ons] leven zelf terugslaat.’
Door zich, min of meer bewust, te ontdoen van de lagen van het zelfbedrog van het leven van alle dag, ontdekt de hoofdpersoon ‘de schoonheid van het onvervulbare’, vindt hij alsnog en door een wonderlijke samenloop van omstandigheden die andere wereld.

Als Marcel Proust het over die twee werelden heeft zegt hij bijvoorbeeld: Je kunt je naar keuze overgeven aan twee krachten, de ene stijgt op in jezelf, vindt zijn oorsprong in je gevoelsimpressies, de andere komt tot je van buitenaf. De eerste brengt van nature vreugde mee, de vreugde die voortkomt uit de levenskracht van de scheppende mens. De andere stroom, die je wil opnemen in de beweging waaraan anderen, buiten je, onderhevig zijn, gaat niet vergezeld van genoegen; maar je kunt het er inleggen, van de weeromstuit, in een roes zo kunstmatig dat hij snel omslaat in een gevoel van leegte, van neerslachtigheid; vandaar het vreugdeloze gezicht van zoveel mondaine mensen, vandaar bij hen zo vaak een toestand van overspannen zenuwen die tot zelfmoord kan gaan. 

‘Laten we dus ons eigen innerlijk binnenstappen: we zullen op een veel dieper punt komen en door een veel grotere kracht naar de oppervlakte worden teruggedreven […]. Het wonder van Prousts Al la receherche du temps perdu is te danken aan de richtingwijzer naar dat eigen innerlijk, waar het leven zich uiterst geheimzinnig en prikkelend voor de fantasie openbaart in de innerlijke ervaring van de tijd. Het verstand dat naar buiten is gericht, construeert de fysische tijd, de meetbare en gelijkvormige tijd. De innerlijke ervaring de intuïtie, kent echter een geheel andere tijd. Dat is de duur.’ Het leven duurt wil zeggen ‘dat ons leven bestaat uit een continue stroom, met verschillende ritmen, verdichtingen, stremmingen, draaikolken,’ niet bij uitstek de chronometrische tijd.

De wedergeboorte van het ik
In Prousts onderzoek naar de verloren tijd staat een boeiende beschrijving van een dergelijke in- of terugkeer naar dat innerlijke leven. Het is het ontwaken van de hoofdfiguur, een beschrijving van de wedergeboorte van het ik zoals die elke ochtend opnieuw plaatsvindt en waarbij het iedere keer een reis door ruimte en tijd aflegt voordat het zichzelf op het kruispunt van het hier en nu terugvindt.

Maar het was genoeg dat in mijn eigen bed mijn slaap diep was en mijn geest zich volledig ontspande; dan liet deze situatieschets van de omgeving waarin ik was ingeslapen, varen, en als ik midden inde nacht wakker werd wist ik volstrekt niet waar ik me bevond, het eerste ogenblik wist ik zelf niet wie ik was, ik had slechts een vaag besef van mijn bestaan zoals een dier dat moest voelen, ik was er nog hulpelozer aan toe dan een holenmens; maar dan kwam de herinnering – nog niet aan de plaats waar ik me bevond, maar aan enkele andere waar ik gewoond had en waar ik had kunnen zijn – als het ware van boven af te hulp om uit het niets omhoog te trekkenwaar ik alleen niet uit had kunnen komen; in een seconde doorliep ik eeuwen beschaving en uit vage beelden van petroleumlampen hemden met lage boorden kreeg ik mijn oorspronkelijke trekken geleidelijk aan weer vorm.

Dit soort van aandacht druist tegen de aanspraken en verwikkelingen van de alledaagsheid, daar ligt onze focus op de dingen. Niet naar de manier waarop dat allemaal in ons bewustzijn is gegeven. De ontdekking van een volledige, veelzijdige, innerlijke wijze van bestaan of existeren: een schier oneindig genuanceerd rijk van het zijnde. De voorwerpen van de herinnering, de vrees, het verlangen, de hoop wissen het onderscheid tussen object en subject wég.
Beslissend is de instelling: om vooroordelen uit de weg te ruimen of onder ogen te zien en de weg naar het vrije en nieuwsgierige vragen opnieuw mogelijk te maken, zodat de zintuigen kunnen worden gescherpt voor wat zich toont.

Bron: Rüdiger Safranski – Heidegger en zijn tijd, 2000, pag. 76, 110, 146-147.

Hieronder een tekst uit de verloren tijd waarin het voorgaande wordt geïllustreerd. Marcel ervaart  een beetje tijd in onvermende staat.

‘Menigmaal, in de loop van mijn leven, had de werkelijkheid mij teleurgesteld doordat, wanneer ik die waarnam, mijn verbeelding, mijn enige instrument om van de schoonheid te genieten, er niet op gericht kon zijn, krachtens de onontkoombare wet  die wil dat men zich alleen kan verbeelden wat afwezig is. En hier bleek opeens de rechtskracht van die harde wet te zijn opgeheven, buiten werking gesteld door een wonderbaarlijk expediënt van de natuur, waarmee een gewaarwording — geluid van vork en hamer, zelfde boektitel, enz. — was gaan vonken zowel in het verleden, wat mijn verbeelding in staat stelde er gevoelig voor te zijn, als, tegelijkertijd, in het heden, zodat een ware opschudding van mijn zintuigen door het gekletter, de aanraking met het linnen, enz., de dromen van de verbeelding iets erbij had geschonken waar ze doorgaans van verstoken zijn, het existentiebegrip — en langs die listige weg mijn wezen in staat had gesteld te bemachtigen, te isoleren en stil te zetten — voor de duur van een flits — wat het nimmer bevat: een beetje tijd in onvermengde staat. Het wezen dat in mij herboren was toen ik met zo’n rilling van geluk het geluid had gehoord dat de lepel die het bord raakt en de hamer die tegen het wiel slaat gemeen hebben, en bij de oneffenheid, voor je voetstappen, van het plaveisel van de Guermantes-binnenplaats én van het baptisterium van de San Marco, enz., dat wezen voedt zich alleen met de essentie der dingen, alleen daaruit put het zijn leeftocht, zijn genot. Het verkwijnt bij de waarneming van het heden waarin de zintuigen die essentie niet kunnen aandragen, bij de bespiegeling van het verleden, dat door het verstand is uitgehold, en bij het afwachten van een toekomst die de wil construeert met fragmenten uit heden en verleden, hier nog veel van hun werkelijkheid aan ontnemend door alleen te behouden wat past bij het eraan toegekende utilitaire, bekrompen menselijke doel. Maar keren een geluid, een geur, voorheen al eens gehoord of opgesnoven, tegelijkertijd in heden en verleden terug, reëel zonder actueel te zijn, ideëel zonder abstract te zijn, dan komt de permanente, doorgaans verborgen essentie der dingen vrij; en onze ware ik die — soms al lange tijd — dood leek te zijn, maar het niet helemaal was, ontwaakt en roert zich als hij het hemels voedsel dat hem wordt aangedragen opvangt. Een van de tijdsorde onafhankelijk geworden ogenblik heeft dan in ons, om het gewaar te worden, de van de tijdsorde onafhankelijke mens herschapen. En het is te begrijpen dat die vertrouwen heeft in zijn vreugde, ook al lijkt de simpele smaak van een madeleine niet logischerwijs de redenen van die vreugde te behelzen, het is te begrijpen dat voor hem het woord ‘dood’ betekenisloos is; wat heeft hij, buiten de tijd staande, van de toekomst te vrezen?’

[1] Deze blog bestaat uit acht berichten: een terugblik (1), twee tussentijdse evaluaties (2-3) en vijf (4-8) teksten. Deze zijn:

Ik was scheep gegaan op Albertine’s slaap (4)

Die verschrikkelijke behoefte aan iemand (5)

Twee bezitbare schoonheden (6)

Ongerijmde beuzelachtigheden en tenslotte (7)

Marcel mijmert over zijn schrijverschap (8).

Ga voor enige inleidende opmerkingen over ‘de verloren tijd’ naar: https://nl.wikipedia.org/wiki/%C3%80_la_recherche_du_temps_perdu

© Bram Zoon (maart 2016/2024)

De wereld op z’n kop (2)

Marcel ProustIk moet mijn ervaringen proberen te interpreteren als tekenen van even zovele wetten en ideeën, ik moet ze proberen te overdenken, dat wil zeggen, ze te voorschijn te laten komen uit het halfduister van mijn gevoelens, ze om te zetten in een spiritueel equivalent. (Marcel Proust, 1871 -1922).

Als Marcel Proust in zijn ‘Op zoek naar de verloren tijd’ iets met ons doet dan is het ons dwingen om naar onszelf te kijken. Hij dringt aan op een zelfanalyse en om onze [stilzwijgende] visie op liefde te [her-]zien. Liefde is niet bij uitstek zoetsappig of romantisch, maar doortrokken van verlangens en emoties, die we niet snel aan elkaar willen bekennen of toegeven. Liever een droom- of een fantasiewereld voorwenden en in stand houden dan de ontnuchterende werkelijkheid onder ogen zien. De zelfliefde blijkt al snel boven de wederkerige liefde te gaan, zo lijkt hij te zeggen. De als wederzijds voorgewende genegenheid is bij nadere beschouwing kinderlijke zelfingenomenheid of pedanterie. In dergelijke relaties kan haat  de verschijningsvorm van liefde aannemen. Manipulatie en chantage zijn in dergelijke verbintenissen onmisbare ingrediënten om wederzijdse illusies [en fantasieën!] intact te laten en vooral niet aan het licht te brengen. Dergelijke betrekkingen beletten meer of minder dat de betrokken acteurs en actrices een autonoom leven gaan leiden. De wereld staat op zijn kop, de realiteit wordt ontkend en de waarheid geweld aangedaan, alleen ten gunste van de eigen verdoving. [1]
Dit [min of meer] onbewuste spel van aantrekken en afstoten doen ook de hoofdfiguren in de ‘verloren tijd’. Frans Jacobs rondt zijn bespreking over en analyse van de liefdeswetten van Proust in zijn Emoties en verlangens als volgt af: ‘Liefde is niet een emotie, maar een behoefte om haar te bezitten, een emotionele begeerte’. [2] En ik voeg er aan toe: werkelijk alle middelen worden ‘in de verloren tijd’ ingezet en beproefd om dit hoofddoel te bereiken. Over de gevolgen die dit weer op zijn beurt oproepen laat de romancier weinig twijfels bestaan [denk aan het vernederen van degenen die je lief hebben om jezelf]. Het knappe hierbij is dat hij nooit vervalt in wraakoefeningen uit zijn verleden; een moreel oordeel laat hij steeds achterwege.
Het is – zonder zich als zodanig uit te spreken – alsof Proust steeds en met grote klem tegen ons zegt: Denk zélf na, bedwelm jezelf niet langer, word wakker! Nee, als je tot meer of ontnuchterende zelf- of mensenkennis wilt komen zit je bij deze grootse schrijver niet aan het verkeerde adres.

[1] Ik raad argeloze buitenstaanders af om zich in dergelijke relaties te mengen, dat lijkt me meer iets voor goed geschoolde en ervaren psychotherapeuten.

[2] Frans Jacobs, Een filosofie van emoties en verlangens, pagina 268, 2008.

[Ik laat nu een vijftal teksten uit ‘Op zoek naar de verloren tijd’ volgen. Eerst vertel ik nog iets over de liefdeswetten. Het is hier ook de plaats om Frans Jacobs, nadrukkelijk te bedanken voor zijn aanwijzingen en de acht bijzondere colleges die hij over Marcel Proust (EUR, jan. – feb. 2016) gaf.]

© Bram Zoon (maart 2016)