Categoriearchief: Weblog

Afgescheiden – en verbonden zijn

Over het belang van argeloos verstaan en intentioneel ontmoeten

We zijn vrije mensen, individuen die zichzelf de wet stellen. We eigenen ons waarden toe die we als vanzelfsprekend en het meest wenselijk beschouwen. Afgescheiden, autonome mensen zijn we. Daarnaast en tegelijkertijd zijn we verbonden met elkaar, geplaatst in een samenlevingsverband. Als onderdeel van een groter geheel moeten we ons leren schikken en aanpassen aan de omgeving waar we – of we nu willen of niet – deel van uitmaken. We zijn sociale wezens in een publieke context. Vanuit dit laatste perspectief gezien: ‘[…] kan hij [de mens] worden wie hij is maar op voorwaarden die hij zelf niet kan bepalen.’ (Ger Groot, 2004)

In dit essay wil ik het spectrum van ons afgescheiden en verbonden zijn verkennen. Wat zijn de consequenties van beide perspectieven voor ons dagelijks leven? Ik zal onder meer stilstaan bij het zoeken en aanhouden van het ‘juiste midden’, met het nadrukkelijke oogmerk om het beste – via argeloos verstaan en intentioneel ontmoeten – uit onszelf en elkaar te halen. Deze uiteenzetting begin ik met een beschrijving van de gehanteerde begrippen.

Lees verder, klik aan: http://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2019/01/Afgescheiden-en-verbonden-zijn.pdf

© Bram Zoon (2015)

Taal en werkelijkheid

Over filosoferen met het gestrekte been

De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld.

Ludwig Wittgenstein

Ludwig Wittgenstein (1889–1951) is misschien wel de belangrijkste filosoof van de 20e eeuw. Hij valt op door zijn ondogmatische onderzoek naar betekenissen, waarbij hij zowel verwarrend als bezielend is. Met zijn karakteristieke, aforistische stijl bestookt hij de lezer met korte en kernachtige spreuken en uitspraken. Steeds daagt hij ons op indringende wijze uit om zelfstandig te denken.

Aan de hand van zijn twee hoofdwerken, Tractatus logico-philosophicus en Filosofische onderzoekingen, probeer ik in dit essay om de rode draad in Wittgensteins denken op te sporen en te verhelderen. Je bent gewaarschuwd als je aan zijn teksten begint. In voetbaltermen zou je kunnen stellen dat hij de terugkerende neiging heeft om er met gestrekt been in te gaan.

Lees verder, klik aan: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2018/12/Bram-Zoon-Taal-en-werkelijkheid.pdf

©Bram Zoon 2018

Vernemen en zijn

Waarom is er iets en niet veeleer niets? — Martin Heidegger (1889 – 1976)

Deze notitie gaat in op Heideggers vraag naar het iets en het niets. Deze grondvraag naar het Zijn beschouwde hij als de ruimste, diepste en oorspronkelijkste vraag die gesteld kan worden.

Iedere keer als ik gedachteloos word ben ik kalm. Als de dingen en gebeurtenissen me aansporen, me in de ban houden, ben ik rusteloos, bezorgd. Als ik bezinnend denk, valt alles van me af, ben ik zonder doel, besta ik. Anders en dat is het grootste deel van de tijd ben ik ̶ zonder dat ik het voldoende in de gaten heb ̶ bekommerd, spoed ik me letterlijk en figuurlijk van het ene naar het andere. Vanuit dit gezichtspunt is mijn er-zijn nutteloos, vanuit het er-zijn is het rusteloze leeg, onbestemd. Ik ben vol en leeg, niet gelijk- maar volgtijdelijk, beide zijn niet uitwisselbaar. De vraag naar Er-zijn brengt de dubbelzinnigheid van menselijk bestaan aan het licht. Half zijnd, half niet-zijnd ben ik, vandaar is het dat we aan geen ding volledig toebehoren, ook niet aan onszelf.

Steeds weer, moet ik iets achter me laten om bezinnend te zijn, uitstappen uit mijn dagelijkse modus, omkeren naar waar het omgaat. Naar wat er werkelijk toedoet. Ik moet tijd maken voor mezelf, in plaats van me te laten leiden door de aanzuigende krachten van mijn bezigheden.

Weet ik dan wat mij beroert, besef ik waar ik deelgenoot van ben? Ik vraag me af wat is dat, waar ik stil bij sta? Het is de beweging naar het doorgronden, beseffen, het doorstaan van mijn zijn, van mijn aanwezigheid, daar vraag ik naar. Ik vraag naar de grondslag van mijn zijn, mijn denken. Ver weg van mijn dagelijkse bezorgdheden om dit of om dat. Zolang ik het voor me plaats, verlaat het me, als ik me er geen voorstelling van maak, kan ik verstaan, vernemen. Grijpende handen, driftig stappende voeten voorkomen dat ik iets verneem, versta. Dit denken als een weg om het gewone in het alledaagse te laten verschijnen.

Maar wat is dat zijnde, dat voltrekkende zijn? Het is bijzonder en uniek, het verblijven in het zijn is een gebeuren. In het eerdere geval ging alles gewoon door, zonder ons, in dit (andere) bijzondere geval staat alles stil, ben ik onderdeel van een gebeurende werkelijkheid, ik sta er niet langer tegenover. We zijn er als door een schijnbaar toeval in opgenomen.

En dan gebeurt er plotseling iets. Mijn gewone en veilige leventje schudt op zijn grondvesten. Mijn wereld stort plotseling in, ik ben bang en eenzaam. Mijn specialist gaf me slecht nieuws. Dan stelt zich de zijnsvraag nadrukkelijker: wat is eigenlijk mijn leven en wat haar zin?Is er wel iets? Is er niet veeleer niets? Wat is dat het niets? En is vragen naar het niets niet vreemd, onzinnig? Deze vragen vormden voor mij het Turning Point, ik draaide me langzaam om en deed een stap terug. Ik wendde me tot het ongewisse, het beangstigende, ik verliet mijn bescherming.[1]

Door mijn vragen als zodanig gebeurt er iets bijzonders, wordt er iets geopend, onverborgen gemaakt. Mijn vragen slaat terug op mijn ‘waarom?’ Als mijn vragen écht is, als het geen woordenspel is, maar uit innerlijke noodzaak geboren, dan is het alsof ik gehoor geef aan een oproep. Ik heb opeens een laag, een gesteente, een bodem ontdekt die me verrast. Ieder écht vragen opent een onverwachte grond waarop we, ontdaan van onze pretenties en slimmigheden, kunnen staan.

In onze onbedektheid zoeken we ook (steeds) weer naar beschutting. Maar hoe waarachtig is dit zoeken? Zo kan het geloof een dergelijke zorgende rol vervullen, we kunnen de zojuist beschreven denkbeweging dan tot op zekere hoogte mee voltrekken, maar de verwarring dat er toch iets in doorklinkt hoeven we dan niet te doorstaan. We schuiven er dan een heiligmaker tussen. God als stoplap voor de leegheid en de onbestemdheid die in ons rondwaart en die we op deze wijze afweren, buiten de deur houden. We willen dit geloven niet meer bloot stellen aan ongeloof. Dat staat min of meer gelijk aan onverschilligheid. Het sacrale, het intieme, aandachtige van ons vragen hebben we dan de das omgedaan. In het echte vragen geven we onszelf prijs, laat ik mezelf en mijn afweer los. Dit vragen, zoals in de filosofie van Heidegger, is een niet-eigentijds vragen.

De filosofie die Heidegger voorstaat is geen mode, zij wordt niet misbruikt voor de behoeften van de dag. We kunnen deze filosofie van het vragen niet aanleren, zoals we een ambacht of technische kennis kunnen aanleren, die we kunnen toepassen of op haar nuttigheid beoordelen. Maar het nutteloze kan ondanks dit toch een macht van betekenis zijn. We kunnen niet goed zeggen waartoe ze in staat is omdat het ons gegeven wordt. Wel dat zich in ons wankelen tussen zijn en niet-zijn onvermoede mogelijkheden bevinden om ons erzijn (toch) te verstaan.

De zijnsvraag naar waarom is er iets en niet veeleer niets? valt niet te vergelijken met het gewone vragen. Zij moet daarom als het ware vóór-gesteld worden. Als wij ons wezen vragend zoeken, mogen wij ditzelfde filosofische vragen niet vergeten of voor ons uitschuiven zoals we dat kunnen doen bij ons dagelijkse vragen.

[1] Ik heb me in deze alinea laten inspireren door het relaas van Lotte Driessen in Trouw (5 december 2018). ‘Ik voel in mijn buik dat ik leef’.

Literatuur: Martin Heidegger – Inleiding in de Metafysica, 1997.

©Bram Zoon (2018)

Bestel Villa Minerva (online)

De paperback kan besteld worden via alle bij het Centraal Boekhuis aangesloten Nederlandse en Vlaamse boekwinkels (incl. bol.com). Het e-book is verkrijgbaar bij de aanbieders die aangesloten zijn bij Kobo – waaronder bol.com.

Paperback online via b.v.: https://www.bol.com/nl/f/villa-minerva/9200000098827498/

E-Book online: https://www.bol.com/nl/p/villa-minerva/9200000098827499/?c2a=buy#product_title

én via: https://www.kobo.com/nl/nl/search?query=Villa+Minerva

Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books – Paperback: 130 pp., € 15,37 – ISBN: 9789402178869 – E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

Wederzijds vertrouwen

De hoofdpersonen Timo Ketelaar, Heimert Trouwborst en Emma Verbiest hebben in hun jeugd minder vertrouwenwekkende ervaringen opgedaan. Die ondervindingen kleuren voor een deel hun belevingswereld en hoe zij – nu nog – elkaar tegemoet treden. Het geschonden zijn doet een niet aflatend beroep op alle drie om hier mee om te leren gaan. Emma weet haar neiging  om zich te wreken op mannen te beteugelen. Heimert beseft hoezeer zijn zelfbeeld door haat tegenover zijn vader is gevormd. Timo ontwikkelt zich van een door hartstochten geregeerd mens tot een bedachtzame man die zijn vurigheden en zichzelf min of meer in de hand heeft. Uiteindelijk leggen zij zich neer bij de onvolkomenheden van zichzelf en van elkaar.

De weg die Timo gaat is die van het zelfstandig denken, hij werpt de beginvragen op: wie ben ik en wat is mijn taak? Hij legt een dagboek aan om tot verheldering te komen van zichzelf en zijn positie. Het wordt al snel duidelijk dat het hem hierbij niet gaat om een denken dat louter intellectueel of verstandelijk van aard is, ook niet om een instrumenteel denken dat laat zien hoe je het snelst van A naar B gaat. Op dit soort van denken mikt Timo nadrukkelijk niet. Het gaat erom dat hij het gecontroleerde beeld van zichzelf loslaat en relativeert. Daarin slaagt hij pas als hij geconfronteerd wordt met de afgrond van de dood. Hij vindt zichzelf terug op de bodem van zijn bestaan. Vanaf dat moment ondergaat zijn denken een wending, het wordt het vrije denken dat het mysterie van leven en dood, ondanks het feit dat beide niet gekend kunnen worden, bevraagt. In dit denken staat zijn eigen wil niet langer centraal maar streeft hij er naar om zich toe te vertrouwen aan het verborgene en het ongewisse.

De dagboekwereld en de intrige zijn aanvankelijk gescheiden, na verloop van tijd lopen beide doorelkaar. Later wanneer Timo ongeneeslijk ziek blijkt te zijn, vraagt hij Heimert om zijn dagboeknotities te ordenen en publicatierijp te maken. Heimert ondergaat hierbij een zware teleurstelling en zijn natuurlijke vertrouwen in de dingen loopt een forse deuk op. Als Timo overleden is komen de aangeslagen Heimert en Emma bij elkaar om de dagboek werkzaamheden te voltooien.

©Bram Zoon [juni 2016]

Ik, de rots van Calpe

Mijn vlees mag bang zijn; ik niet. Jorges Luis Borges (1899 – 1986)

We maken kennis met Aard die na een lange reis is neergestreken in Calpe op een terras van een uitspanning, recht tegenover de rots. Deze steenklomp is hét herkenningsteken van de Costa Blanca en plaats waar indertijd iets onverwachts en ingrijpends is gebeurd. Een geschiedenis die Aard uit zijn geheugen heeft geprobeerd te wissen, maar dat is hem niet gelukt. Slechts in een verdraaide vorm kondigt zich nu beetje bij beetje aan wat dat is. Hij sukkelt na een lange reis op de strandboulevard in slaap, wordt vervolgens overrompeld door een bizarre dagdroom. Achter de rots, in de verte, is overigens een andere klip waarneembaar die sprekend lijkt op de walvis van het beroemde schilderij van Dali. Maar deze ontsnapt aan de aandacht van Zorgdrager.

Lees verder, klik aan: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2018/11/Ik-de-rots-van-Calpe-1.pdf

© Bram Zoon (2013/2018)

[1] Bram Zoon – De rots van Calpe, 2014.

De uil van Minerva

vliegt slechts uit als het donker wordt.

Met deze vaststelling wordt verwezen naar de mogelijkheid dat wijsheid pas in de herfst van ons leven kan worden verkregen, als ons einde tastbaarder wordt. In het licht van het einde komen we tot waarheid omtrent onszelf en de anderen. Als onze greep op de dingen wegvalt, als we de ontzetting van de leegte kunnen dragen zijn we instaat om ondeelbaar te leven en op dat moment sterven we, vallen we weg in de eeuwigheid.

In mijn nieuwe boek Villa Minerva spreekt de hoofdpersoon Timo Ketelaar in dit verband van een ‘onvoorziene klaarheid van geest’ die hem bij het terugkijken op zijn leven is toegevallen. Laten we eens kijken wat hem is overkomen.

Ketelaar vertelt zijn vrouw Emma dat hij van plan is om zijn laatste dagboek aantekeningen te bundelen. Ik zal iets citeren uit het gesprek dat ze hier hierover hebben:

‘Heb ik het goed dat je uit de losse delen van het dagboek het geheel van je leven wilt afleiden?’

‘Ja, dat is mijn ambitie. Precies. Op een onverwacht moment kijk je terug op je leven. Opeens zie je hoe het is verlopen. De tot dan toe verborgen samenhang komt onverwacht aan de oppervlakte van je bewustzijn drijven. Om deze onvoorziene klaarheid van geest draait het in deze Villa Minerva. Ogenschijnlijk losse en op zichzelf staande gebeurtenissen vallen op hun plaats, vertonen een onverklaarbare en verbluffende samenhang. Schrijver en lezer zien de voorstelling van een bewustwordingsproces, uiteengelegd in deelstappen, aan zich voorbijtrekken.’ Timo kijkt Emma vragend en onderzoekend aan. Zou ze het een werkbaar idee vinden?

‘Een dergelijke ontwikkeling verloopt niet al te gestroomlijnd. Ik zou het jammer vinden als je die indruk zou wekken.’

‘Oké. Eerder grillig, met breuken, sprongen; momenten van groot geluk, pijn en verdriet wisselen elkaar af. Onvoorspelbaar,’ zegt hij instemmend.

‘Ik geloof er wel in, nu jij nog, geef het een kans. Laat het ontstaan en haast je vooral niet.’

Van de hierboven veronderstelde absolute geest, waar we ons pas later bewust van worden, is hier minder sprake. Eerder op een verbrokkelde, gefragmenteerde wijze, verschijnt het aan Ketelaar. Het vermoeden rijst dat het leven zelf ons belemmert om tot bewustzijn te komen. Alsof we tegen de verdrukking in van de tijd tot een klaar inzicht komen, een doorzicht dat we niet zelf hebben ge- en bevorderd, maar dat ons is geschonken. Doordat Timo letterlijk schipbreuk leidt komt hij in een stemming die niet langer beheerst wordt door de bedwelmende perspectieven van het heden, wellicht is dat toch die absolute waarheid? Bijna alles valt in die ruimte van hem af. Behoeft het daarom verbazing dat het centrale motto in mijn boek ‘Toen ik schipbreuk leed, voer ik goed’, is? Dit credo is ontleend aan Arthur Schopenhauer.

Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books

Paperback: 130 pp., € 15,37 – ISBN: 9789402178869

E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

©Bram Zoon (2018)

Vragend denken

Over de kunst van het openlaten

De hieronder geplaatste tekst van Gadamer kwam ik bij toeval tegen op de facebook pagina van Marc van den Bossche.[1] Ik was er meteen door gefascineerd, maar omdat ik het nogal vluchtig had gelezen nam ik me voor om het later wat grondiger te bekijken. Toen ik weer naar de bewuste facebookpagina terugkeerde was het verdwenen. Via hetzelfde medium heb ik hem gevraagd of hij me op enigerlei wijze aan dit tekstje zou kunnen helpen. In minder dan 2 uur stond het tot mijn verrassing in mijn chatbox.

Ter verdere inleiding doe ik een poging om eerst iets over Gadamer en diens kijk op de werkelijkheid te zeggen, daarna volgt dan het betreffende citaat.

De bewuste tekst is van Hans-Georg Gademer (1900 – 1902) en afkomstig uit zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode (1960). Deze Gadamer was een leerling van Heidegger. In mijn oude en vertrouwde syllabus over ‘hermeneutiek’ lees ik dat hij: ‘[…] de implicaties van Heideggers “fenomenologische hermeneutiek” heeft uitgewerkt en meer toegankelijk gemaakt. Gadamers grote verdienste is zijn zorgvuldige exploratie in de mogelijkheden en de grenzen van een filosofische hermeneutiek.’ Het gaat hierbij om de waarheidservaringen die het gangbare wetenschappelijke waarheidsbegrip overstijgen. Iets dat we in het onderstaande citaat goed kunnen zien. Onze zogenoemde objectivistische benaderingswijze van de dingen schiet iedere keer weer tekort. De historische geschiedenis is geen objectief gegeven, zij berust op het vooroordeel dat het een onzijdig, een universeel gegeven is.[2]

‘Het nauwe verband dat tussen vragen en begrijpen blijkt te bestaan geeft de hermeneutische ervaring pas haar ware dimensie. Wie wil verstaan, kan de waarheid van het bedoelde in het midden laten. Hij kan zich van de zich direct opdringende meningen over de zaak terugbuigen naar de betekenisopvatting als zodanig en deze niet als waar, maar louter als zinvol beschouwen, zodat de waarheidsmogelijkheid open blijft – dit openlaten is de eigen en oorspronkelijke essentie van het vragen. Vragen laat altijd mogelijkheden zien die nog openliggen. Daarom kunnen we een vraagstuk niet begrijpen door ons erover te buigen zonder echt te vragen, zoals we een opvatting wel kunnen begrijpen door ons erover te buigen zonder die opvatting te delen. Begrijpen wat voor vragen iets oproept is veeleer altijd al vragen. Tegenover vragen kun je geen puur hypothetische, potentiële houding aannemen, omdat vragen geen poneren, maar zelf uitproberen van mogelijkheden is. Hier wordt vanuit het wezen van het vragen duidelijk wat Plato’s dialogen in hun feitelijke voltrekking demonstreren. Wie wil denken, moet zich dingen afvragen. Ook als iemand zegt: ‘Hier zou je je kunnen afvragen … .’, is dat al echt vragen, alleen in voorzichtige of hoffelijk bedekte termen. Dat is de reden waarom al het begrijpen altijd meer is dan pure inleving in andermans mening. Door te vragen legt het betekenismogelijkheden open, en daarmee gaat wat zinvol is in de eigen opvattingen over. Alleen in oneigenlijke zin kan men ook vragen begrijpen die men niet zelf vraagt, bijvoorbeeld vragen die men als gedateerd of overbodig beschouwt. Dat betekent dan dat men begrijpt hoe onder bepaalde historische omstandigheden bepaalde vragen zijn gesteld. Het begrijpen van vragen betekent dan de betreffende omstandigheden begrijpen, en dat die achterhaald zijn betekent dat de vraag zelf achterhaald is. Denk bijvoorbeeld aan het perpetuum mobile. De betekenishorizon van zulke vragen ligt slechts schijnbaar nog open. Ze worden niet meer als vragen begrepen. Want wat men in zo’n geval begrijpt, is juist dat er geen vraag ligt. Een vraag begrijpen betekent haar vragen. Een mening begrijpen betekent deze als antwoord op een vraag begrijpen.’

Hans-Georg Gadamer – Waarheid en Methode, Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Uitgeverij Vantilt (2014) pag. 357 – 358.

[1] Met dank aan Marc van den Bossche: https://www.facebook.com/marc.vandenbossche.79?fref=nf

[2] Gadamer kwam door dergelijke onderscheidingen tot de ‘rehabilitatie van het vooroordeel’. Elk oordeel is een voorlopig vooroordeel, een voorwaarde voor het doorlopen van een verstaans-beweging.