Categoriearchief: Weblog

Ik, de rots van Calpe

Mijn vlees mag bang zijn; ik niet. Jorges Luis Borges (1899 – 1986)

We maken kennis met Aard die na een lange reis is neergestreken in Calpe op een terras van een uitspanning, recht tegenover de rots. Deze steenklomp is hét herkenningsteken van de Costa Blanca en plaats waar indertijd iets onverwachts en ingrijpends is gebeurd. Een geschiedenis die Aard uit zijn geheugen heeft geprobeerd te wissen, maar dat is hem niet gelukt. Slechts in een verdraaide vorm kondigt zich nu beetje bij beetje aan wat dat is. Hij sukkelt na een lange reis op de strandboulevard in slaap, wordt vervolgens overrompeld door een bizarre dagdroom. Achter de rots, in de verte, is overigens een andere klip waarneembaar die sprekend lijkt op de walvis van het beroemde schilderij van Dali. Maar deze ontsnapt aan de aandacht van Zorgdrager.

Lees verder, klik aan: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2018/11/Ik-de-rots-van-Calpe-1.pdf

© Bram Zoon (2013/2018)

[1] Bram Zoon – De rots van Calpe, 2014.

THUG

Zijn er nog plaatsen in onze maatschappij waar mensen ongeacht kleur, geslacht, etniciteit of geaardheid elkaar nog werkelijk kunnen ontmoeten? Deze mogelijkheden lijken voor de argeloze waarnemer eerder sprongsgewijs af- dan toe te nemen. Gangbare integratiekaders verliezen steeds meer hun rol en betekenis. Tweedracht voert de boventoon, ons wij-gevoel lost volgens de columnist van mijn ochtendblad op in een ‘archipel van verdeeldheid.’
Er geldt voor deze ontwikkeling een belangrijke uitzondering, dat is de ziekenhuisontmoeting tussen medepatiënten, die soms uitgroeien tot langduriger vriendschappen tot over de grenzen van de kliniek. Iedereen die wel eens in een ziekenhuis heeft gelegen zal dit onmiddellijk herkennen. Binnen de muren van het hospitaal vallen barrières sneller weg, levensgeschiedenissen worden met groter gemak opgedist. Pijn en zorgen worden geuit en verlicht, oh zeker niet met iedereen, maar het is onmiskenbaar dat mensen onder deze vaak pijnlijke omstandigheden elkaar gemakkelijker weten te vinden en elkaar tot onvergetelijke – wederzijdse – steun zijn.
Maar naast veiligheid en geborgenheid is het ziekenhuis ook een bron van teleurstelling en onveiligheid. Zo is de ziekenhuisomgeving voor kwetsbare patiënten beslist geen beschutte omgeving meer, maar kan zij juist risicovol en zelfs bijzonder gevaarlijk zijn.
Dit tweeslachtige doet zich ook voor in dit vierdelige verhaal over Jacob Walbeek en Marius Streefkerk, zij worden door een vreemd toeval aan elkaar gekoppeld en er groeit vanaf dat moment een bijzondere band tussen beiden. Het is een geschiedenis die ik in 2010 optekende en nu anno 2022 wereldkundig maak. We maken eerst en kennis met Jacob Walbeek, hij kampt met een beruchte ziekenhuisbacterie, die hij vermoedelijk heeft opgelopen bij een eerdere opname. Later komt Marius Streefkerk in beeld, hij blijkt een opmerkelijke ziektegeschiedenis en belangstelling voor de dood te hebben.

True Hero Under God

Een mens moet wel heel veel ervaren & verwerkt hebben, om met zijn dood, als die aanbelt, vrede te hebben. (Gerard Reve, 1923 – 2006)

1. Haperingen

Jacob Walbeek wist dat hij geen vormfouten mocht maken. Hij zou op een later en geschikter moment allervriendelijkst om een andere longarts vragen. Lea steunde hem volledig in zijn voornemen: ‘Het gaat om jouw gezondheid, van niemand anders’, had ze gezegd.
‘U moet niet vergeten dat ik al meer dan vijfentwintig jaar ervaring heb met deze longaandoening, met dokters, ziekenhuizen en behandelingen,’ zei Jacob. ‘Als wielrenner werd ik de ervaringsexpert van mijn eigen lichaam?’
Pas toen de longarts de beruchte ziekenhuisbacterie had gevonden, had hij een aanknopingspunt. Tot dan toe had hij zich niet verdiept in zijn casus. Walbeek moest keer op keer zélf dossierinformatie inbrengen. De man wist bijvoorbeeld niet dat Walbeek een aangeboren eiwittekort had, waardoor zijn immuunsysteem kwetsbaarder was in vergelijking met andere patiënten. Zo iets belangrijks en zeldzaams was hem ontgaan.
Zou dit ooit nog goed komen? Jacobs gezondheid liet al zes maanden te wensen over. Aanvankelijk werd geprobeerd genezing te vinden door het ophogen van zijn dagelijkse medicatie. Dit had echter geen effect. Daarna had hij op voorschrift van de arts maandenlang, maar tevergeefs antibiotica en ontstekingsremmers geslikt. Jacob zag er pafferig uit. Hij was flink aangekomen van al die chemische rommel. Walbeek barstte bijna uit zijn lievelingsoverhemd, het was geen gezicht. Hij schaamde zich voor zijn eigen lichaam.
Omdat zijn klachten aanhielden bezochten ze gezamenlijk de behandelende specialist. Het contact verliep opnieuw stroef, moeizaam en geïrriteerd. Terwijl hij in zijn repertoriumboekje zat te bladeren vroeg de man: ‘Welke antibiotica moet ik voorschrijven?’ Zoveel treurigheid en onbegrip had Walbeek in zijn carrière als longpatiënt nog niet meegemaakt. Hij antwoordde niet en keek naar buiten. Hij zag een groep ganzen in formatie overvliegen en kon zich hun zachte, wiekende gàà-gak-gagak-geluid goed voorstellen. Het was weemoedig en droeg raadselachtig ver.
Over de resultaten van Jacobs longfunctie merkte hij op: ‘U blaast niet goed, u blaast als een oude man die met één been in het graf staat.’ Jacob blies wél goed, hij wist heus wel hoe een goede piek moest worden geblazen. Hij kón alleen niet beter. Waarom wilde die kerel dat niet begrijpen? Dat kon hij toch zo in zijn status, over jaren, zien? Jacob moest uitkijken dat hij zijn zelfbeheersing niet verloor.
Op een gegeven moment had Walbeek gevraagd: ‘Hoe zien de uitslagen van de laatste sputumkweken eruit?’ Toen bleek dat er opeens de pseudomonas aeruginosa in ontdekt was.
‘Dat is een reden voor opname,’ zei de arts, steunend en zuchtend: ‘Ik moet u eigenlijk opnemen, maar ik heb geen bedden.’
‘Als jij niet over die uitslagen was begonnen, zaten we nu nog te koekeloeren,’ had Lea gezegd. En er direct achteraan: ‘Alleen maar gekwetste beroepstrots. Die vent moest zich doodschamen. De meeste artsen zijn opportunisten, je moet bijkans zwalkend, sterk vermagerd en met holle ogen aan hun bureau verschijnen, voordat ze in actie komen.’ Jacob voelde dat hij Lea beter niet kon tegenspreken..

Hoe lang droeg Jacob deze bacterie nu al bij zich, jaren, had hij deze opgelopen bij een eerdere ziekenhuisopname, het kon niet worden uitgesloten, alleen wat schiet je ermee op als je dat wel weet? Niet veel. Lea: ‘Wat heb je aan je gelijk als je op het kerkhof ligt?’
‘Zie er maar eens af te komen,’ had hij geantwoord. Ze waren er inmiddels achter dat deze bacterie moeilijk en waarschijnlijk niet afdoende kon worden bestreden.

2. Verplaatsingen

Jacob was nog nauwelijks op de longafdeling gearriveerd, of hij was al twee keer verhuisd. De eerste keer was hem een bed gewezen naast een meneer met een plastic zuurstofmasker op, dat zijn gehele gezicht bedekte. Met twee brede rubberen banden was het over zijn achterhoofd getrokken. Zijn haar zat er verfomfaaid onder. Ondanks de zuurstof piepte hij bij inademing hoog en bij uitademing reutelde hij zwaar. Hij was slaperig en sprak met dubbele tong. Een vrouw die handenwringend naast zijn bed zat was erg bezorgd. Steeds zei ze zachtjes: ‘Wat zeg je nou toch jongen, ik kan je niet verstaan.’
Jacob voelde zich verlegen met de situatie. Hij wilde zich niet opdringen, maar kon zich ook niet aan deze situatie onttrekken.
Om hem te kunnen bereiken sprak de zaalarts luid en nadrukkelijk tegen de man, met zijn mond dichtbij het masker: ‘Alle waarden zijn momenteel goed, alleen u voelt zich niet lekker. Dat is het probleem.’ De arts schoof het privacygordijn dicht, Jacob hoorde hen daarachter zachtjes overleggen. Het was onvermijdelijk om niets op te vangen.
‘Het is verstandig om de kinderen te waarschuwen,’ zei de afdelingsdokter. Het gordijn bleef gesloten. Walbeek voelde zich opgesloten, beroerd en benauwd bovendien.
Jacob pakte zijn gloednieuwe notitieboek uit de tas en streelde het kaft. Hij had het van Lea gekregen. Het voelde hard en bijna scherp aan als je er met je vingers overheen streek. Hij schreef er zijn voor- en achternaam, adres en andere gegevens in. Zo’n notitieboekje bleek na verloop van tijd een zee aan nuttige informatie te bevatten. Het was daarom zaak om het niet kwijt te raken. Walbeek borg het op in de la van zijn nachtkastje. Het ging niemand iets aan wat hij hierin opschreef. Vaak waren het krabbels, een invallende gedachte, een observatie, de aanzet van een alinea, of complete zinnen, alles in klad. Soms feiten, over het weer, de maten van kamers, vloerbedekkingen, telefoonnummers, adressen, het kon van alles en nog wat zijn. Invallen. Of banaliteiten, welke boodschappen er gehaald moesten worden. Maar ook schreef hij bijvoorbeeld over de hop en Hernri Purcell.

De hop was een vogel die hij dankzij zij een vriendin eindelijk had kunnen plaatsen en bewonderen. Jacob: ‘Een prachtige en zeldzame vogel voor het eerst in mijn leven gezien. In Spanje achter het hotel in Jaén. Hij was het volledig eens geweest met de beschrijving die hij in Pettersons Vogelgids aantrof. ‘Het meest markante aan deze vogel is zijn fiere rechtopstaande waaierkuif en zijn traag golvende, langzame, vlinderachtige vleugelslag.’
Over Henri Purcells Dido en Aeneas schreef hij het volgende. ‘Hij schreef deze kameropera in 1689, zes jaar voor zijn dood. Slechts 36 jaar geworden. Vier dansen komen erin voor: The Triumphing Dance, The Echo Dance of Furies, The Sailors Dance en The Witches Dance. Het zijn korte bijna onopvallende verbindende stukjes. Vier barokjuweeltjes, bijna achteloos gestrooid over de drie delen, in de eerste twee ieder één en in de laatste akte twee. Ze verschaffen een strak ingetogen muzikaal kader met daarbinnen een zuivere kwetsbare harmonie van tonen en klanken. Brengen je meteen in een staat van gelukzaligheid. Koude rillingen over het lijf bij het beluisteren van het vocale When I am laid in earth. Daar spreekt Purcell je in al je zintuigen aan, streelt niet alleen het oor, maar treft je in hart en ziel.
Soms pakte hij wel eens een oudere dummy om er wat doorheen te bladeren. Jacob kon zich zo veel herinneren en vooral in welke stemming hij zich daarbij had bevonden. Het gaf een nauwkeurige beschrijving van zijn leven in een bepaalde periode.

Walbeek nam vervolgens ‘Wegen van de wereld’ van Nicolas Bouvier uit zijn tas. Hij was al aardig gevorderd en wilde verder gaan lezen. Bouvier was de meester van de couleur locale-beschrijving. Zijn tocht had hij gemaakt met een Fiatje Topolino van Ljubljana in voormalig Joegoslavië, via Turkije, Perzië, Pakistan naar Peshawar in Afghanistan. Een dergelijke reis is vandaag de dag niet meer mogelijk.

De dienstdoende zaalzuster onderbrak Walbeek, ze duwde de deur met kracht open en zei gedecideerd: ‘We gaan u verhuizen.’ In een handomdraai werd hij met bed en al naar een volgende tweepersoonskamer gereden. Daar stond een man van ongeveer veertig jaar naast zijn bed. Hij hoestte zo klagelijk en erbarmelijk dat het je door merg en been ging. Er hing een zuurstofslangetje uit zijn neus. Zijn sluike haar was gitzwart geverfd en hoog, ouderwets, opgeschoren. Alsof hij geknipt was met een po op zijn hoofd. Hij had een onduidelijke tatoeage op zijn linkerwang en een aluminiumkleurige piercing net onder zijn onderlip. Hij droeg een zwart T-shirt en brede leren armbanden om beide polsen. De zilverkleurige vierkante punten op het leer trokken de aandacht. Later zou deze man op mysterieuze wijze verdwijnen. Na verloop van tijd kwam Jacob er achter dat dit met meer patiënten gebeurde. Zonder aankondiging waren ze plotsklaps, soms met bed en al verdwenen en maar in enkele gevallen teruggekeerd.

Walbeek stond naast zijn bed en terwijl de zusters bezig waren om dit in de kamer te manoeuvreren kwam de zaalzuster opnieuw op de proppen. ‘We gaan u nog één keer verhuizen meneer Walbeek, het is voor de allerlaatste keer.’ Precies tussen de eerste en de tweede kamer in werd zijn bed in de volgende tweepersoonskamer gereden. Halverwege vroeg de zuster aan Walbeek of hij misschien bij het raam wilde liggen. Jacob voelde daar wel voor. Hij moest even wachten, de zuster ging met de man in de kamer overleggen. Ze kwam terug en zei dat meneer zelf bij het raam wilde blijven liggen. Jacob ging de kamer in. In bed lag een man die er oud en vermoeid uitzag, hij was mager en klein van stuk. Naar later bleek was hij pas vijfenzestig jaar. Hij had een bebopkapsel van spierwit haar en droeg een zwaar roodkleurig brilmontuur. Hij had een snorretje en een Sigmund Freud puntbaardje, allebei wit en zorgvuldig gecoiffeerd. Jacob liep op hem toe, stak zijn hand uit en zei: ‘Jacob Walbeek, aangenaam.’ De man kwam opvallend kwiek zijn bed uit en stelde zich met een scherpe nasale stem voor: ‘Marius Streefkerk, welkom.’ Hij droeg een onberispelijke, net gestreken pyjama. Zijn blote voeten staken in dure badslippers.
Jacob zou bijna veertien dagen op deze kamer liggen. De laatste zeven dagen van zijn ziekenhuisverblijf bracht Jacob alleen op de kamer door. Marius’ behandeling was abrupt afgebroken.

Iedere keer als Lea op bezoek kwam en weer vertrok had hij met de rug naar hen toe gezeten. Steeds wanneer Lea zei: ‘Dag meneer Streefkerk’, antwoordde hij bijna onderdanig met: ‘Dag mevrouw.’

3. THUG

Jacob werd uit zijn dagdroom gehaald door twee zusters die het infuus willen aanleggen. Eerst werd er een grove naald in een van de bloedvaten op de bovenkant van zijn linkerarm net na de pols ingebracht. Erachteraan werd voorzichtig een fijn slangetje geschoven, het slangetje bleef over een lengte van vijf centimeter in het bloedvat zitten. De naald werd teruggetrokken. In dat slangetje werd een pennetje van dezelfde lengte, met aan het einde een roodkleurig dopje geschoven. Hierop werd een driewegschakelaartje aangesloten. Het geheel werd met een grote ingenieuze pleister vastgezet. Slangen verbinden de twee infuuszakken en de minischakelaar met elkaar. Pas op de dag van zijn vertrek werd het infuus verwijderd.
Marius Streefkerk sliep altijd met ontbloot bovenlijf. Hij trok zich niet zoveel van Jacob aan. Hij bleef de hele dag zo rondscharrelen, verder dan zijn bed, het toilet en de douche kwam hij niet. Alleen bij de artsenvisite en als hij bezoek verwachtte trok hij zijn pyjamajasje en zijn ochtendjas aan. Jacob voelde zich door dit gedrag niet ongemakkelijk.
Streefland had verschillende tatoeages op zijn bovenlichaam. Zo had hij vanuit zijn hals via zijn schouders tot op zijn beide bovenarmen Keltische kruisen laten zetten. Ze hadden een lengte van circa acht centimeter en waren als een ketting met prikkeldraad over zijn huid kunstzinnig aaneengeregen. Onderaan stond over de volle breedte van beide bovenarmen T.H.U.G. De letters waren aan de forse kant, je kon ze al van een flinke afstand herkennen. Op zijn borst en schouderbladen waren speels en schijnbaar achteloos Chinese lettertekens gestrooid. Jacob vroeg naar de betekenis van THUG. Marius: ‘Dat vertel ik je nog wel een keer.’
Zijn huid was dun en fijn, licht gebruind. Hij was mager en gespierd. Geen vetrolletjes, geen grammetje te veel. Marius had een groot en lelijk litteken van zijn hals tot onder zijn navel. Er zat een gat in zijn keel van ongeveer vier centimeter lengte en bijna twee centimeter breed. Als hij zijn stemprothese niet in had kon je zo in zijn luchtpijp kijken. Na iedere maaltijd zette hij een scheerspiegel op zijn nachtkastje en maakte met een ingenieus staafje waaraan een klein borsteltje was bevestigd de opening en de luchtpijp met grote nauwkeurigheid en eindeloos geduld schoon.
Marius was weinig spraakzaam, erg op zichzelf. Niet humeurig, hoewel dat, gelet op zijn situatie, niet vreemd zou zijn geweest. Vaak lag hij urenlang wezenloos op bed. Altijd met zijn rug naar de kamer en met zijn gezicht naar het licht. De mond een klein beetje open. Zijn vrije hand rustte op zijn regelmatig bewegende borstkas. Na verloop van tijd kwam Jacob er achter dat hij niet sliep. Als Jacob hem zo zag liggen moest hij denken aan een rustende vermoeide krijger, een indiaan, één die ternauwernood aan zijn achtervolgers was ontsnapt.
Streefkerk at weinig, slecht. Elke dag werd hij gewogen. Steeds werd hij er door de afdelingsarts op gewezen dat hij niet verder mocht afvallen. ‘U moet goed eten meneer Streefkerk,’ zei hij tot vervelens toe. Marius moest na de geringste inspanning al rusten.
Hij was gepensioneerd, had een onderhoudsbedrijf gehad. Was getrouwd geweest met een Kaapverdische vrouw, maar dit huwelijk had, zoals hij onderkoeld zei, ‘averij opgelopen.’
Zijn schoonzoon en kleinkinderen kwamen wel eens op bezoek, dan was hij opvallend goed gehumeurd. Hij liet zich bij die gelegenheid als een pasja in zijn rolstoel door de ziekenhuisgangen rijden. Bij het verlaten van de kamer wuifde hij minzaam naar Jacob.
Marius had indertijd slokdarmkanker gehad. Hij was tweeëndertig keer zonder succes bestraald. Steeds bleek dat de kankercellen na een aantal dagen weer terug waren gekomen. Er werd daarom besloten om de poliepen in zijn keel operatief te verwijderen. Ook zijn stembanden werden weggehaald. Vandaar de luchtpijpsnede in zijn keel. Toen Jacob er naar vroeg en Marius hem het een en ander vertelde sprak hij van ‘mijn tracheostoma’. Hij kon alleen praten als hij de spraakprothese in had. Als hij iets wilde zeggen legde hij lichtjes de duim van zijn rechterhand op het apparaatje. Zijn stemgeluid was hees, traag, slepend en metaalachtig. Het klonk vermoeid, niet zonder melancholie, je kon zijn sombere berusting er nog goed doorheen horen klinken. Als hij sprak streelde hij met zijn linkerhand onafgebroken en bedachtzaam zijn on-Nederlandse puntbaardje.
Al weer even geleden waren opnieuw kwaadaardige cellen van een ander soort in zijn lijf ontdekt. Over de precieze achtergrond zou hij binnen enkele dagen worden geïnformeerd. Die onzekerheid drukte hem zichtbaar terneer. Jacob: ‘Kan en wil je nog vechten?’ Hij antwoordde: ‘Maar waarvoor?’ Na lang zwijgen vervolgde hij: ‘Ik wil wel vechten, maar een lange lijdensweg met chemokuren en bestralingen zou me dit keer wel zeer zwaar vallen. Of, weten dat je over pakweg een half jaar zult sterven en er maar het beste van maken. Met alleen nog maar een beperkte onderhouds-behandeling. Dat zijn de keuzen. Op dat laatste zal het wel uitdraaien.’
Hij wilde met zijn ex-vrouw nog wel een grote reis maken. ‘Maar dat kan ik onder deze omstandigheden maar beter vergeten.’
Marius had iets onverschrokkens, was voor niets en niemand bang. Ook niet voor de dood. Je merkte dat niet zo direct omdat zijn kwetsbaarheid zo op de voorgrond stond. Maar als je zoals Jacob enige tijd met hem kon optrekken kwam je geleidelijk tot deze ontdekking. ‘Ik laat me niet meer wegsturen,’ zei hij beslist. ‘Eerst moet er duidelijkheid komen, eerder ga ik niet weg.’
Toen die lang verwachte duidelijkheid werd gegeven was hij voor een korte periode hevig aangedaan, maar niet uit het veld geslagen. Klein, gebogen maar sterk en vastberaden droeg hij het voor hem fatale nieuws. Zijn dochter, schoonzoon, zijn enige zuster en zwager waren ontredderd toen bekend werd dat Marius aan ongeneeslijke asbestkanker leed. ‘Ik ben uitbehandeld en heb geen weerstand meer,’ zou hij later aan Jacob vertellen.
Toen Jacob weer de kamer inkwam en de familie van Marius zo om zijn bed zag zitten wist hij meteen dat het niet goed was. Marius zei: ‘Kom er maar bijzitten, Jacob.’ Later zou Marius hem op gedetailleerde wijze de juiste toedracht van zijn fatale longproblemen vertellen. In de verwarring die hierop volgde was Jacob zijn mobiele telefoon kwijtgeraakt. Marius had zijn naarstige en nerveuze zoeken opgemerkt. Jacob schaamde zich voor het feit dat hij nu op dit dramatische moment op zoek was naar zijn telefoon. ‘Wat zoek je toch?’ had Marius kalm gevraagd. In een mum van tijd hadden ze hem teruggevonden toen Marius op het nuchtere idee kwam, om even met zijn toestel Jacobs nummer te bellen.

4. Dichte mist

Het was Jacob al meerdere keren opgevallen dat Marius een obsessie voor de dood had.
‘Wat heb jij toch met de dood?’
‘Dat is het enige dat ik in dit leven zeker weet. De dood is onvermijdelijk.’
‘Dood, schaduw des levens?’
‘Ja, maar wel raadselachtig.’
Marius sloeg zijn computer open: ‘Kijk maar, het staat een beetje door elkaar, het is iets waar ik eigenlijk al jaren mee bezig ben. Ik ben verzamelaar van de dood.’ Tot Jacobs verbazing had hij allerlei met het levenseinde verwante onderwerpen bij elkaar gebracht. Jacob mocht alles inzien, het waren digitale mappen met rituelen, symbolen, de hunebedden, het sterven zelf, de uitvaart, de begrafenis, crematie, begrafenissen van koningen en koninginnen, het dragen van de dode, het bekend maken, lijkverzorging, tradities en culturen, over rigor mortis, doodshemden, geloofsachtergronden, afbeeldingen van de dood en de ziel, over iets en het niets, de doodsbrenger, het balsemen, aansprekers, grafopschriften, monumenten, doodskisten en ontwerpen van begraafplaatsen. Het was een veelheid van uiteenlopende onderwerpen die de ene keer diepgaand en de andere keer oppervlakkig werden behandeld. Al met al was het een schat aan informatie, die onoverzichtelijk door elkaar was gehusseld. Marius: ‘Ik lijk zeer ordelijk, maar in werkelijkheid ben ik een chaoot. Dat kun je goed aan deze wanorde zien.’ Jacob en Marius spraken op een gegeven moment af dat Jacob hem zou helpen met het catalogiseren en ordenen van zijn macabere collectie.

De dood greep Jacob bij zijn nekvel en sleepte hem door de gangen naar buiten. Op de achtergrond hoorde je al het traag beieren van de klokken. Er klonk zacht tromgeroffel in de maat van de dodenmars. Het was een donkere nacht. Jacob spartelde tegen. De dood zei: ‘Kom, stel je niet aan, er gaan zoveel mensen dood, je hebt pech gehad.’ Hij schudde Jacob keer op keer hard door elkaar. Eenmaal buiten gekomen, dwong hij hem al struikelend in de richting van een grote, lege ruimte. Jacob vermoedde dat het daar om een grote bres, een massagraf ging. Onpeilbaar diep, gevuld met lichamen. Het geluid van de trommel en schuiftrompetten werd nadrukkelijker en zwol meer en meer, stapsgewijs, aan. Jacobs einde was nu dicht genaderd. Uit de kuil walmde een afschuwelijke stank. Jacob verzette zich tot het uiterste, maar de dood liet zich niet vermurwen. Hij zei onverbiddelijk: ‘Jij, Walbeek, bent nu aan de beurt.’
Jacob werd met een ruk wakker. De dood had hem nog niet verlaten. Hij had een slijmprop ter grootte van een duivenei in zijn luchtpijp geplaatst. Jacob probeerde de stop uit te hoesten, dat lukte niet. Hij kwam met zijn adem achter de slijmklont. Hij hoestte tien, twaalf keer maar het taaie slijm schoot niet los. Iedere keer dat hij met meer kracht ertegenaan blafte werd hij benauwder, hij stikte. Jacob vloog zijn bed uit, hij wilde het infuus en alles waaraan hij vastzat losrukken, in één lange driftige haal, de gang oprennen, het ziekenhuis uitvluchten. Desperaat. Hij werd steeds lichter in zijn hoofd, het kille, koude zweet gutste van zijn lijf. Jacob wist niet meer wat hij deed, hij danste naast zijn bed, was radeloos van angst. Hij schreeuwde, zonder dat hij zichzelf hoorde: ‘Ik ga dood, ik kan het niet, ik ga dood, ik kan het niet…’
Marius kwam voor hem staan, drukte hem met grote kracht neer en zei: ‘Nu ga je zitten.’ Hij vloog de gang op en riep met zijn metalen stem de zusters. Er was paniek toen ze Jacob zagen. Ze lieten hem onmiddellijk vernevelde lucht inademen. De warme hand van de zuster rustte op zijn schouder, ze sprak zachtjes: ‘Rustig, rustig maar.’ De hand bracht hem van het dodenrijk terug in de realiteit. Ze lieten de deur bij het weggaan een beetje openstaan.
In de opwinding had Marius vergeten zijn stoma uit te doen, hij mompelde in zichzelf: ‘Je hebt me laten schrikken, jonge, wat heb je me laten schrikken, jonge, jonge, je hebt me laten schrikken…’
Kort hierna viel Jacob uitgeput in een diepe slaap. Hij droomde opnieuw. Hij liep door een oneindig stelsel van gangen, met de rijdende infuusstandaard in zijn hand. Aan het voetstuk hingen drie dode purperreigers ondersteboven met hun snavels naar beneden, het bloed drupte uit hun bek op de grond en liet een luguber spoor achter. In de verte meende hij Marius te zien, Jacob probeerde hem achterna te rennen, langzaam loste zijn beeld op in een dichte mist.

©Bram Zoon (2010-2022)

Vernemen en zijn

Iedere keer als ik gedachteloos word, ben ik kalm. Als de dingen en gebeurtenissen me aansporen, me in de ban houden, ben ik rusteloos, bezorgd. Als ik bezinnend denk, valt alles van me af, ben ik zonder doel, besta ik. Anders en dat is het grootste deel van de tijd ben ik   ̶   zonder dat ik het voldoende in de gaten heb   ̶   bekommerd, spoed ik me letterlijk en figuurlijk van het ene naar het andere. Vanuit dit gezichtspunt is mijn erzijn nutteloos, vanuit het erzijn is het rusteloze leeg, onbestemd. Ik ben vol en leeg, niet gelijk- maar volgtijdelijk, beide zijn niet uitwisselbaar. De vraag naar erzijn brengt de dubbelzinnigheid van ons menselijk bestaan aan het licht. Half zijnd, half niet-zijnd ben ik, vandaar is het dat we aan geen ding volledig toebehoren, ook niet aan onszelf.

Steeds weer, moet ik iets achter me laten om bezinnend te zijn, uitstappen uit mijn dagelijkse modus, omkeren naar waar het omgaat. Naar wat er werkelijk toedoet. Ik moet tijd maken voor mezelf, in plaats van me te laten leiden door de aanzuigende krachten van mijn bezigheden.

Weet ik dan wat mij beroert, besef ik waar ik deelgenoot van ben? Ik vraag me af wat is dat, waar ik stil bij sta? Het is de beweging naar het doorgronden, beseffen, het doorstaan van mijn zijn, van mijn aanwezigheid, daar vraag ik naar. Ik vraag naar de grondslag van mijn zijn, mijn denken. Ver weg van mijn dagelijkse bezorgdheden om dit of om dat. Zolang ik het voor me plaats, verlaat het me, als ik me er geen voorstelling van maak, kan ik verstaan. Grijpende handen, driftig stappende voeten voorkomen dat ik iets verneem. Dit denken is als een weg om het gewone in het alledaagse te laten verschijnen.

Maar wat is dat zijnde, dat voltrekkende zijn? Het is bijzonder en uniek, het verblijven in het zijn is een gebeuren. In het eerdere geval ging alles gewoon door, zonder ons, in dit (andere) bijzondere geval staat alles stil, ben ik onderdeel van een gebeurende werkelijkheid, ik sta er niet langer tegenover. We zijn er als door een schijnbaar toeval in opgenomen.

En dan gebeurt er plotseling iets. Mijn gewone en veilige leventje schudt op zijn grondvesten. Mijn wereld stort plotseling in, ik ben bang en eenzaam. Mijn specialist gaf me slecht nieuws. Dan stelt zich de zijnsvraag nadrukkelijker: wat is eigenlijk mijn leven en wat haar zin?Is er wel iets? Is er niet veeleer niets? Wat is dat het niets? En is vragen naar het niets niet vreemd, onzinnig? Deze vragen vormden voor mij het Turning Point, ik draaide me langzaam om en deed een stap terug. Ik wendde me tot het ongewisse, het beangstigende, ik verliet mijn bescherming.[1]

Door mijn vragen als zodanig gebeurt er iets bijzonders, wordt er iets geopend, onverborgen gemaakt. Mijn vragen slaat terug op mijn ‘waarom?’ Als mijn vragen écht is, als het geen woordenspel is, maar uit innerlijke noodzaak geboren, dan is het alsof ik gehoor geef aan een oproep. Ik heb opeens een laag, een gesteente, een bodem ontdekt die me verrast. Ieder écht vragen opent een onverwachte grond waarop we, ontdaan van onze pretenties en slimmigheden, kunnen staan.

In onze onbedektheid zoeken we ook (steeds) weer naar beschutting. Maar hoe waarachtig is dit zoeken? Zo kan het geloof een dergelijke zorgende rol vervullen, we kunnen de zojuist beschreven denkbeweging dan tot op zekere hoogte mee voltrekken, maar de verwarring dat er toch iets in doorklinkt hoeven we dan niet te doorstaan. We schuiven er dan een heiligmaker tussen. God als stoplap voor de leegheid en de onbestemdheid die in ons rondwaart en die we op deze wijze afweren, buiten de deur houden. We willen dit geloven niet meer bloot stellen aan ongeloof. Dat staat min of meer gelijk aan onverschilligheid. Het sacrale, het intieme, aandachtige van ons vragen hebben we dan de das omgedaan. In het echte vragen geven we onszelf prijs, laat ik mezelf en mijn afweer los. Dit vragen, zoals in de filosofie van Heidegger, is een niet-eigentijds vragen.

Deze filosofie die Heidegger voorstaat is geen mode, zij wordt niet misbruikt voor de behoeften van de dag. We kunnen deze filosofie van het vragen niet aanleren, zoals we een ambacht of technische kennis kunnen aanleren, die we kunnen toepassen of op haar nuttigheid beoordelen. Maar het nutteloze kan ondanks dit toch een macht van betekenis zijn. We kunnen niet goed zeggen waartoe ze in staat is omdat het ons gegeven wordt. Wel dat zich in ons wankelen tussen zijn en niet-zijn onvermoede mogelijkheden bevinden om ons erzijn (toch) te verstaan.

© Bram Zoon (2022)

[1] Ik heb me in deze alinea laten inspireren door het relaas van Lotte Driessen in Trouw (5 december 2018). ‘Ik voel in mijn buik dat ik leef’.

Martin Heidegger  ̶  Inleiding in de Metafysica, 1997.

Zuiverheid van geest als roeping en opgave

In absolute termen bestaat ‘zuiverheid van geest’ niet. Wij kunnen ons niet of nauwelijks losmaken van onze begeerten, onverstand en driften. Die ‘ongemakken’ horen onvermijdelijk bij ons en maken dit bestaan onvolkomen én onbevredigend. Is zuiverheid van geest daarom een zinloos zoeken, omdat het toch niet gevonden kan worden? Ondanks dit gegeven zie ik zuiverheid als een ‘opgave’, als iets ‘nastrevenswaardig’. Iets waar ik tegen alle logica in tóch naar uitzie en verlang. Zuiverheid van geest moet geen doel op zich worden. Het is geen nieuw soort van ascetisme of onthouding van zinnelijke genoegens, daar heeft het niets mee van doen. Er is eerder sprake van een ‘nietanderskunnen’. Het is een innerlijke autonome kracht of noodzaak die, zonder dwang, om navolging vraagt. Daarom spreek ik, naast opgave’, liever van het wat ouderwets klinkende ‘roeping’.

Lees verder en klik aan: Zuiverheid van geest als roeping en als opgave

Geworpen in de wereld

‘Een klassieker in de Nederlandse filosofie’ lees ik op de achterflap. Een tijdje heb ik nu in Heidegger, Denken en danken, Geven en zijn gelezen en gebladerd, maar halverwege ben ik gestopt. Het is tijd voor een adempauze; later zal blijken dat er geruime tijd overheen gaat voor ik het weer ter hand neem.[1]

Martin Heidegger! Een filosoof met een zeldzame denkkracht en unieke wijsheid, iemand die al geruime tijd een bijzondere aantrekkingskracht op me uitoefent. Het vermoeden dat deze niet onomstreden denker een van de oorspronkelijkste filosofen van de twintigste eeuw is, heeft zich dan – in weerwil van publicaties over zijn sympathieën – van me meester gemaakt. Zijn raadselachtige, duistere taal en glasheldere betoogtrant hebben me vanaf het moment dat ik IJsselings boek ter zijde leg niet meer losgelaten.

[1] Samuel IJsseling – Heidegger: Denken en danken. Geven en zijn, 2015.

Klik aan en lees verder: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2021/06/1.-Geworpen-in-de-wereld-Bram-Zoon-startnotitie-juli-2017.pdf

Giorgio Agamben’ Homo Sacer

Mijn ervaringen met het lezen van Homo Sacer zijn schokkend, in het bijzonder deel 3 Het kamp als biopolitiek paradigma van de moderne tijd hebben een diepe indruk op mij gemaakt.[1] Wat wil Agamben ons eigenlijk zeggen en waarom is dat zo confronterend? Ik citeer: ‘Wat zich in de [concentratie]kampen heeft afgespeeld, overstijgt zozeer het juridische begrip van misdaad dat men vaak maar heeft nagelaten de specifieke rechtspolitieke structuur te onderzoeken waarbinnen die gebeurtenissen zich hebben voorgedaan.’ Agamben stelt een radicaal andere benadering voor: ‘[…] In plaats van de definitie van het kamp af te leiden uit de gebeurtenissen die er hebben plaatsgevonden, stelt hij: wat is een kamp, wat is de rechtspolitieke structuur op basis waarvan zulke gebeurtenissen konden plaatsvinden? Dit betekent dat we het kamp […] benaderen […] als de verborgen matrix, de nomos van de politieke ruimte waarin wij [ook nu] nog leven.’[2] Dat doet hij om een sacralisering van het kamp te voorkomen waardoor we geen lering kunnen trekken uit wat er is gebeurd; we leiden dan zonder dat we het weten aan collectieve verdringing.

Om mijn verwarring nu enigszins te duiden en te verwerken heb ik me voorgenomen om hier iets over te schrijven, dat kan de mist van mijn confusie enigszins doen optrekken en kan ik er wellicht beter recht aan doen? We zullen zien.

Laat ik dan maar meteen beginnen met een schot voor de boeg. Ik heb de indruk dat Agamben in confrontatie met het hier bedoelde hoofdstuk een vermoeden in ons wil wekken, op een wijze dat we ons kunnen losmaken uit oude manieren van kijken en dat we deelgenoot kunnen worden aan een mogelijk nieuwe werkelijkheid. Is een dergelijke belofte juist en welke rol spelen hierbij Agamben’ filosofische archeologie en profanaties? En verder: is die toezegging wellicht metafysisch van aard, of schept zij enkel voorwaarden voor die andere beleving van de werkelijkheid?

© Bram Zoon (2021)

[1] Giorgio Agamben – Homo Sacer, 2020, met een voorwoord van Gert-Jan van der Heiden.

[2] Pag. 210.

Argeloos verstaan en intentioneel ontmoeten

We zijn vrije mensen, individuen die zichzelf de wet stellen. We eigenen ons waarden toe die we als vanzelfsprekend en het meest wenselijk beschouwen. Afgescheiden, autonome mensen zijn we. Daarnaast en tegelijkertijd zijn we verbonden met elkaar, geplaatst in een samenlevingsverband. Als onderdeel van een groter geheel moeten we ons leren schikken en aanpassen aan de omgeving waar we – of we nu willen of niet – deel van uitmaken. We zijn sociale wezens in een publieke context. Vanuit dit laatste perspectief gezien: ‘[…] kan hij [de mens] worden wie hij is maar op voorwaarden die hij zelf niet kan bepalen.’ (Ger Groot, 2004)

In dit essay wil ik het spectrum van ons afgescheiden en verbonden zijn verkennen. Wat zijn de consequenties van beide perspectieven voor ons dagelijks leven? Ik zal onder meer stilstaan bij het zoeken en aanhouden van het ‘juiste midden’, met het nadrukkelijke oogmerk om het beste – via argeloos verstaan en intentioneel ontmoeten – uit onszelf en elkaar te halen. Deze uiteenzetting begin ik met een beschrijving van de gehanteerde begrippen.[1]

Lees verder, klik aan: Argeloos verstaan en intentioneel ontmoeten

[1] Verscheen eerder in Bram Zoon – De illusie van de zelfbepaling, 2015, pag 190 – 200.

Inkijkexemplaar Kabinet van Heidegger

Dit Kabinet van Heidegger is de zinnebeeldige voorstelling van mijn onderzoek naar het denken van en het zijnsverstaan bij Heidegger. In deze kast liggen de tastbare resultaten netjes gegroepeerd en opgeslagen van mijn belevenissen met deze filosoof. Het gaat hier onder meer om de boeken en tijdschriften die ik heb aangeschaft en gelezen en om de meerdere voorlopers van dit verslag. Mijn inzet om dit materiaal ordelijk te presenteren is bedrieglijk omdat het een veel bewogen en verwarrende periode – weliswaar met een duidelijk begin en einde – maskeert waarin ik in het gezelschap van deze denker ben geweest.

Lees verder klik aan: Inkijkexemplaar Kabinet van Heidegger

Zijnsverstaan bij Heidegger, Schopenhauer en Borges

Martin Heidegger hecht een gering belang aan onze individualiteit. Hij laat niet na om keer op keer de overtuiging te bestrijden dat wij onszelf en onze toekomst naar onze hand zouden kunnen zetten. Maar hij legt bij mijn weten niet uit waaróm we dat niet kunnen. Of, anders gezegd, waarom is onze persoonlijkheid eigenlijk zo onbeduidend en waarom frustreert ze onze pogingen om tot zijnsverstaan te komen? Daar wil ik nu verder op ingaan. Ik ga daarbij te rade bij Arthur Schopenhauer en Jorge Luis Borges.[1]

Ten slotte wil ik dan aandacht besteden aan de zijnservaring als zodanig, iets dat we bij Heidegger alleen in indirecte zin aantreffen en waar ik hier aandacht voor wil vragen. In ontische zin valt er wel degelijk iets over de zijnservaring te zeggen. Heidegger, de denker, roept dichters te hulp om ervan te spreken. Borges, de dichter én denker, roept bijvoorbeeld Schopenhauer te hulp, hij geeft uitdrukking aan de wijze waarop de zijnservaring aan hem verschijnt. Hij vertolkt daarmee iets dat min of meer ontbreekt in Heideggers filosofie.

Lees verder, klik aan:Zijnsverstaan bij Heidegger, Schopenhauer en Borges

[1] Een onderdeel genomen uit mijn essay Kabinet van Heidegger (2020), pag. 68 – 73.

Heruitgave Hemelsplein

Jacob Walbeek is een man die na zijn wielercarrière economie gaat studeren. Hij klimt op tot hoofd van het Economisch Bureau in een grote zakenbank. Wanneer hij als jonge vijftiger op het hoogtepunt van zijn loopbaan is aangeland krijgt hij een zware mentale inzinking. Hij ervaart een alles overheersend gevoel van leegte, iets dat hij niet kan verklaren. Het is een stemming die zijn gevoelsleven verdooft en die hem van zichzelf en de buitenwereld afsluit. Zonder dat hij het weet is hij tegelijkertijd cipier en gevangene van een kleurloze, lege en matte wereld geworden. Hij wordt ziek en kan uiteindelijk niet meer werken. Dan in een onverwacht moment neemt Walbeek het besluit om uit te zoeken wat er speelt en met hem aan de hand is. Met dit gegeven begint het verhaal van Bram Zoons nieuwe boek ‘over een man die naar waarheid zoekt.’

Dit boek bestaat uit drie delen en negen hoofdstukken.

In het eerste deel kijkt Walbeek via een aantal flashbacks terug op zijn leven. Naast zijn fascinatie voor wielrennen ontstaat tijdens een logeerpartij bij zijn lievelingstante de belangstelling voor muziek. Als zij overlijdt begint hij te vermoeden wat de achtergrond is van zijn stemmingsverandering.

In het tweede deel wordt Jacob verliefd op Lea. Ze gaan samenwonen en lopen op tegen onverwerkte aspecten uit hun verleden. Een bezoek aan het planetarium van Eise Eisinga in Franeker levert onverwachte nieuwe inzichten op. Juist op dat kruispuntmoment wordt Jacob ziek. In de herstelperiode die hierop volgt komt hij tot een zelfonderzoek. Daarbij speelt een overleden jeugdliefde en een plaquette die hij ooit van zijn moeder kreeg een belangrijke rol.

In het derde deel van het boek gaan Jacob en Lea op reis. Door een samenloop van toevalligheden tijdens een ziekenhuisopname, waarbij een beroemde Bach cantate van grote invloed is, vloeit alles ineen. Walbeek komt tenslotte tot de gezochte zuivering van zijn ziel en leven.

Jacob Walbeek is iemand die vanuit zijn vroege jeugd weinig controle heeft over zich zelf en zijn stemmingen. Ter compensatie ontwikkelt hij een houding waarin hij alles met zijn geestkracht beheerst. In het sportfietsen, dan in zijn studie, zijn leven. Hij gaat hierin zo ver dat hij in zijn werk met behulp van econometrische modellen voorspellingen kan doen over hoe zich de rente zal gaan ontwikkelen.

In plaats van zich zelf te leren vergeten [het motto van dit boek] verdringt hij zich zelf. Langs een omweg komt hij er achter dat niet hij, maar toeval en onwetendheid beslissender zijn dan zijn eigen hoogmoed. Jacobs zoeken naar waarheid en leven lopen naar mate het verhaal zich ontvouwt onlosmakelijk door elkaar. Hij leert dat hij in zijn zoeken traag en omzichtig te werk moet gaan én dat hij plaats moet maken voor de plotselinge onverklaarbare opwellingen in zijn leven.

Heruitgave Hemelsplein (2)

Heruitgave Hemelsplein, november 2020. ISBN: 9789464180893. Uitgever: Brave New Books. Prijs 14,91. Hemelsplein kan besteld worden via alle bij het Centraal Boekhuis aangesloten Nederlandse en Vlaamse boekwinkels (incl. bol.com).

Eerste druk, juli 2012