Categoriearchief: Weblog

Als de taal met ons op de loop gaat

Onlangs viel mijn oog opnieuw op een bijzondere tekst met de veelzeggende titel Leven zonder hoop of vrees. Het is al weer enige tijd geleden dat ik dit essay heb gedownload. Het moet ergens in 2014 zijn geweest, daarin roept de auteur Martin Stokhof de vraag op: ‘hoe we hebben te leven volgens Ludwig Wittgenstein?’ Of wat is het goede leven, volgens Wittgenstein? De titel suggereert al enigszins hoe dit er volgens deze filosoof uit zou kunnen (of moeten) zien. Ik citeer Stokhof opnieuw: ‘men leeft het goede leven als men alles wat er in het leven gebeurt, alles wat iemand daarin kan overkomen, tegemoet treedt zonder te hechten aan een bepaalde gang van zaken, een bepaalde uitkomst.’ Het gaat hierbij niet zozeer om een biografische verklaring als wel om ‘de uitkomst van een systematisch proces van filosofische reflectie op de aard van het goede, de (on)mogelijkheid van ethiek, de rol van de taal.’

In 2014 heb ik een poging gewaagd om ‘de rode draad in Ludwig Wittgensteins werk’ op te sporen, of dat is gelukt moeten anderen maar beoordelen. Aan de hand van zijn twee hoofdwerken, Tractatus logico-philosophicus en zijn latere Filosofische onderzoekingen, probeer ik in dit essay de rode draad in Wittgensteins denken op te sporen en te verhelderen, daarin spelen de thema’s (ethiek en taal) een rol. Daarbij heb ik o.a. veel gehad aan het bewuste essay van Stokhof.[1]

Ga voor mijn tekst naar: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2020/08/Bram-Zoon-Als-de-taal-met-ons-op-de-loop-gaat.pdf Deze tekst werd gepubliceerd in De illusie van de zelfbepaling, 2015.

[1] Het gaat hier om een publicatie via Academia, een internetplatform. Het essay verscheen eveneens in Filosofie, november 2010.

Zicht- en onzichtbaar

In het werk van Bram Zoon speelt een centraal thema een belangrijke rol. Het is de betekenis van de zichtbare en de onzichtbare wereld voor zijn personages. Al meteen in zijn debuut Gloed van liefde en in zijn latere boeken en essays is deze fascinatie voor de verhouding tussen beide sferen waarneem- en tastbaar.

Deze daad vormt een belangrijke verklaring voor het feit dat de filosoof Martin Heidegger (1889 – 1976) in zijn belangstelling staat. Omdat deze een bijzonder licht heeft geworpen op de verhouding en betekenis van beide werelden door middel van ons erzijn. In het essay Kabinet van Heidegger doet hij verslag van zijn onderzoek naar het zijnsverstaan en het denken van deze denker.

Het veel gehoorde vooroordeel tegenover Heidegger is dat zijn werk ondoorgrondelijk is. Zoon accepteert dit denkbeeld én wijst haar tegelijkertijd af. Aan de hand van een drieledige aanvangsvraagstelling licht hij dit nader toe.

Enkele van zijn conclusies luiden: dat het zijnsverstaan ons voor een lastige dubbelzinnigheid plaatst. Dit dilemma houdt in dat ons niet alleen de woorden maar ook de grammatica ontbreken om tot het zijnsmysterie door te dringen. Zolang wij onszelf centraal blijven stellen zullen we niet geneigd zijn om ons op het zijn te oriënteren. Zijn slotconclusie luidt dat Heidegger niet zo zeer onbegrijpelijk is, maar dat wij het zelf zijn die de weg in het levenslabyrint zijn kwijtgeraakt.

54 x 14

Ik lig in bed en kan de slaap niet vatten. De display van de Sony wekker geeft 02.45 uur aan, het is maandag 15 november 1999. Ik heb nog steeds geen oog dicht gedaan, straks moet ik er om 07.30 uur uit. Ik lig nog na te genieten van mijn fraaie overwinning. Ik heb zoveel van mijn lichaam gevergd dat het nu nóg niet tot rust is gekomen. Ik wilde ervoor sterven, maar het was allemaal niet nodig, zo goed was ik. Ik ben innerlijk kalm, het lijkt alsof ik in een film speel en alles zomaar aan me voorbijgaat. Ik kijk naar wat er is gebeurd die zondagmiddag, ik sta er schijnbaar buiten, neem er niet aan deel, maar niets is echter minder waar: ik onderga alles opnieuw met een heldere en zuivere geest, geen detail ontgaat me. Lees verder: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2020/04/Bram-Zoon-54-x-14.pdf

Pater Karmeliet Edgar Koning overleden

© Bram Zoon (2017)

“Prior Edgar Koning in het door hem – onlangs – ontworpen labyrint in de tuin van het Karmelieten klooster te Zenderen. Over deze spiraalsgewijze cirkels zegt hij: ‘In de huidige tijd is de weg door het labyrint voor talloze mensen een metafoor voor hun levenspad. In het echte leven kent ons pad ook de nodige verwachte én onverwachte wendingen. De vorm van het labyrint geeft vertrouwen dat je je bestemming ook echt kan bereiken.’”[1]

Gisteravond werd ik benaderd door Henro Munsterman (van het Nederlands Dagblad) met de verdrietige mededeling dat pater Edgar Koning O. Carm als gevolg van het Corona-virus is overleden in het ziekenhuis te Almelo.

Toen dit slechte nieuws enigszins tot mij doordrong, werd ik mij opnieuw bewust van het feit dat ik Edgar bijzondere erkentelijkheid verschuldigd ben. Ik koester dierbare herinneringen aan hem.

In de afgelopen jaren heb ik hem meerdere keren bezocht, tijdens onze ontmoetingen deed hij zich kennen als een vrijmoedig man. Op mijn bezorgdheden reageerde hij altijd onverschrokken en rechtstreeks, al snel wist hij me met zijn humor en hartelijkheid gerust te stellen. Vanaf het moment dat ik begon met schrijven van teksten heeft hij me aangemoedigd.

Toen ik hem, nu al weer geruime tijd geleden, vertelde dat ik graag parttime monnik zou willen worden steunde hij me onvoorwaardelijk. Toen dit verzoek door het bestuur van de orde werd afgewezen zei hij: dat ik altijd welkom was en dat er een plek voor me zou zijn. Zo is het ook steeds gebeurd.

Zijn overlijden laat een groot gevoel van leegte en verdriet in me achter. Ik zal hem ontzettend missen.

Rotterdam, 1 april 2020

[1] Afkomstig van mijn facebookpagina, 21 juni 2017.

De afgebroken zuil

Commentaar op het ‘In memoriam Giel Provoost’[1]

In hoeverre Bram Zoon zich de vraag heeft gesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de bovenmatige inspanningen die zijn ‘held’ Giel Provoost opbracht en diens abrupte dood blijft onopgelost. Het vermoeden  rijst dat hij deze vraag als ongepast, oninteressant of als ‘burgerlijk’ van de hand heeft gedaan.

Zoon stapt niet in de val van de gemakkelijke tragiek van zijn protagonist. Hij had immers  de vraag op kunnen roepen of Provoost zich wel had kunnen neer leggen bij het einde van diens actieve wielercarrière? Indien dit niet het geval was geweest had diens ‘trots’ immers tot zijn dood geleid! Dat heeft hij vermeden, niet gedaan.

Zoon heeft eveneens een eenvoudige identificatie met Provoost willen vermijden. Hij heeft zich niet de eigenschappen van Provoost zomaar eigen gemaakt. Wel heeft hij met dit IM het einde van zijn eigen wielercarrière onderstreept.

Hij heeft met zijn IM een monument willen oprichten voor de ‘gewone sporter’, die je bij wijze van spreken om de hoek van de straat, in de Hoekse Waard, aan het werk kunt zien. Het gaat hierbij om mensen die door hun bijzondere inzet, talent en spelplezier ver boven zich zelf uitstijgen en die niet de TV of de ochtendkrant halen. Bij deze sporters is geen plaats voor het nauwelijks verholen gepoch of  gesnoef over de eigen prestatie die zo vaak het commentaar en het interview met bekende sportlieden kenmerkt. Het gaat in zijn IM om een welgemeende huldeblijk voor iemand die zich zonder voorbehoud gaf en als dit tot succes leidde zich hier nooit op voor liet staan en met grote blijmoedigheid zijn ‘verlies’ nam.

Zoon heeft het licht willen werpen op een levensstijl die je als ‘romantisch’ zou kunnen typeren. Giel Provoost komt naar voren als iemand met een buitengewone  passie voor zijn sport, het leven zélf. Dat is zeer benijdenswaardig en als je dit kunt ervaren stroomt er een groot geluk door je aderen.

[1] https://www.bramzoon.com/uncategorized/in-memoriam/

 

 

In memoriam Giel Provoost (1951 – 2009)

3 april as. is het 11 jaar geleden dat de onvergetelijke Giel Provoost overleed, om hem te herdenken schreef ik indertijd het hierbij gevoegde IM.

Ze kijkt opnieuw nu langer en smekend naar ons alsof wij hem het leven terug kunnen geven…

Op de heenweg praten Ferry van der Touw en ik druk over hem. De gloednieuwe zwarte XC 60 Volvo  doet ons dan nog niet denken aan onze eigen sterfelijkheid. Pas als we het rouwcentrum hebben verlaten zijn we stil en in gedachten, de blinkende en pijlsnel accelererende bolide heeft zijn aantrekkingskracht volledig voor ons verloren. Ik ril en heb het koud, het lijkt wel of ik griep krijg…

We zijn te vroeg in het rouwcentrum en betreden als eerste de ruimte waar hij ligt opgebaard, we zijn gekomen om afscheid te nemen. Zijn moeder, vrouw, kinderen met aanhang komen binnen. Ze aarzelen alsof ze tegen de emoties van het afscheid en de onverbiddelijkheid van de dood opzien. Ik vraag me af of het wel gepast is dat we bij hen blijven? Uit het vriendelijke knikje van zijn vrouw maak ik op dat onze aanwezigheid op prijs wordt gesteld. Het duurt niet lang of het onderscheid tussen wij en zij bestaat niet meer…

Zijn moeder loopt op de kist af, gaat rechts bij het hoofdeinde staan. Ze legt haar hand op het haar en voorhoofd van haar levenloze zoon. Ze prevelt onverstaanbaar iets voor zich uit, is het een gebed? Ze schokschoudert, de tranen stromen over haar gezicht. Dan kijkt ze omhoog, naar ons en weer terug naar haar zoon. Het is doodstil, geluid van buiten dringt niet meer  tot de rouwruimte door. Pas als ze ziet dat wij ook machteloos staan wendt ze zich wenend en langzaam af.

Het is in het vroege voorjaar ergens aan het begin van de negentiger jaren, we staan aan de start van de donderdagavondcompetitie van onze wielerclub RWC Ahoy te Rotterdam. Halfweg koers hoor ik een zoevend geluid langskomen, op een oversized en wit Van Tuyl-frame, met carbonwielen rijdt hij op een grote versnelling, met een lichte slinger in zijn lijn, met grote snelheid in een keer langs het langgerekte peloton en vliegt zonder te remmen de bocht in. Ongeschoren benen. Opeens staat hij er, als een donderslag bij heldere hemel.

Ik zag hem zo later vele malen, in club-, competitie- en nationale wedstrijden keihard rijden, net zo lang tot hij met een klein groepje overbleef. Het leek of hij zich dan pas verzoende met het feit dat hij niet kon sprinten en zich vrijwel altijd tevreden moest stellen met een 2e of 3e plaats. Nooit ruzie, gescheld of gedoe: altijd vriendelijk, minzaam en soms met een licht spoor van wrevel kwam hij voor en na de koers op je af. Omdat hij met een hoge kromme kattenrug reed noemden ze hem wel ‘de bult’. Het was niet om aan te zien, zo lelijk was hij als renner. Maar door zijn vele schijnbaar heilloze en roekeloze tempoversnellingen nam hij ons helemaal voor zich in. Om mijn bewondering niet onder stoelen of banken te steken schreef ik in ons clubblad een kort anoniem stukje: ‘Aan het wiel van Giel’. Veel later kwam hij er toch achter wie dat geschreven had, hij gaf me een por en knipoogde…

Zijn fiets zag eruit alsof hij er mee door een varkensstal had gereden. Omdat hij zo nonchalant met zijn materiaal omsprong reed hij sneller lek dan wij. Dat was voor hem geen enkel probleem, hij vroeg een nieuw wiel, reed het gat in een keer dicht en soms ook nog hup in een keer naar de kopgroep.

Als bestuurslid van RWC Ahoy was hij ook markant, hij stapte zo na de dinsdagavondkoers van de fiets bij zijn medebestuurders aan tafel, het opgedroogde slijm nog rond de mond, zweet- en zoutplekken in zijn shirt. Nel Hermes vertelde me indertijd: Dat ze het er maar moeilijk mee had dat hij geen lap over zijn kop haalde en zich niet een beetje opfriste. Omdat hij in de eerste plaats een fijn mens en in de tweede plaats een kundig penningmeester was werd hem dit gedrag zondermeer vergeven.

Ik vraag aan zijn vrouw Nadine: ‘Hoe is het gebeurd, hoe is hij gevonden, zagen jullie en Giel het aankomen?’ Volledig zijn ze, allemaal, door de kracht van de plotselinge en wrede dood overvallen.

Nooit meer aan het wiel van Giel.

Een pracht kerel, uit een stuk, zo herinner ik me hem en zo wil ik me hem blijven herinneren, voor altijd.

Dat de engelen hem mogen vergezellen tijdens zijn reis door de eeuwigheid.

Tijdens een lichte hersteltraining overleed Giel Provoost op 3 april 2009 aan een hartstilstand, hij werd gecremeerd op Goede Vrijdag 10 april. Hij is 58 jaar geworden.

© Bram Zoon (2009)

 

Vernemen en zijn

Iedere keer als ik gedachteloos word, ben ik kalm. Als de dingen en gebeurtenissen me aansporen, me in de ban houden, ben ik rusteloos, bezorgd. Als ik bezinnend denk, valt alles van me af, ben ik zonder doel, besta ik. Anders en dat is het grootste deel van de tijd ben ik   ̶   zonder dat ik het voldoende in de gaten heb   ̶   bekommerd, spoed ik me letterlijk en figuurlijk van het ene naar het andere. Vanuit dit gezichtspunt is mijn erzijn nutteloos, vanuit het erzijn is het rusteloze leeg, onbestemd. Ik ben vol en leeg, niet gelijk- maar volgtijdelijk, beide zijn niet uitwisselbaar. De vraag naar erzijn brengt de dubbelzinnigheid van ons menselijk bestaan aan het licht. Half zijnd, half niet-zijnd ben ik, vandaar is het dat we aan geen ding volledig toebehoren, ook niet aan onszelf.

Steeds weer, moet ik iets achter me laten om bezinnend te zijn, uitstappen uit mijn dagelijkse modus, omkeren naar waar het omgaat. Naar wat er werkelijk toedoet. Ik moet tijd maken voor mezelf, in plaats van me te laten leiden door de aanzuigende krachten van mijn bezigheden.

Weet ik dan wat mij beroert, besef ik waar ik deelgenoot van ben? Ik vraag me af wat is dat, waar ik stil bij sta? Het is de beweging naar het doorgronden, beseffen, het doorstaan van mijn zijn, van mijn aanwezigheid, daar vraag ik naar. Ik vraag naar de grondslag van mijn zijn, mijn denken. Ver weg van mijn dagelijkse bezorgdheden om dit of om dat. Zolang ik het voor me plaats, verlaat het me, als ik me er geen voorstelling van maak, kan ik verstaan. Grijpende handen, driftig stappende voeten voorkomen dat ik iets verneem. Dit denken is als een weg om het gewone in het alledaagse te laten verschijnen.

Maar wat is dat zijnde, dat voltrekkende zijn? Het is bijzonder en uniek, het verblijven in het zijn is een gebeuren. In het eerdere geval ging alles gewoon door, zonder ons, in dit (andere) bijzondere geval staat alles stil, ben ik onderdeel van een gebeurende werkelijkheid, ik sta er niet langer tegenover. We zijn er als door een schijnbaar toeval in opgenomen.

En dan gebeurt er plotseling iets. Mijn gewone en veilige leventje schudt op zijn grondvesten. Mijn wereld stort plotseling in, ik ben bang en eenzaam. Mijn specialist gaf me slecht nieuws. Dan stelt zich de zijnsvraag nadrukkelijker: wat is eigenlijk mijn leven en wat haar zin?Is er wel iets? Is er niet veeleer niets? Wat is dat het niets? En is vragen naar het niets niet vreemd, onzinnig? Deze vragen vormden voor mij het Turning Point, ik draaide me langzaam om en deed een stap terug. Ik wendde me tot het ongewisse, het beangstigende, ik verliet mijn bescherming.[1]

Door mijn vragen als zodanig gebeurt er iets bijzonders, wordt er iets geopend, onverborgen gemaakt. Mijn vragen slaat terug op mijn ‘waarom?’ Als mijn vragen écht is, als het geen woordenspel is, maar uit innerlijke noodzaak geboren, dan is het alsof ik gehoor geef aan een oproep. Ik heb opeens een laag, een gesteente, een bodem ontdekt die me verrast. Ieder écht vragen opent een onverwachte grond waarop we, ontdaan van onze pretenties en slimmigheden, kunnen staan.

In onze onbedektheid zoeken we ook (steeds) weer naar beschutting. Maar hoe waarachtig is dit zoeken? Zo kan het geloof een dergelijke zorgende rol vervullen, we kunnen de zojuist beschreven denkbeweging dan tot op zekere hoogte mee voltrekken, maar de verwarring dat er toch iets in doorklinkt hoeven we dan niet te doorstaan. We schuiven er dan een heiligmaker tussen. God als stoplap voor de leegheid en de onbestemdheid die in ons rondwaart en die we op deze wijze afweren, buiten de deur houden. We willen dit geloven niet meer bloot stellen aan ongeloof. Dat staat min of meer gelijk aan onverschilligheid. Het sacrale, het intieme, aandachtige van ons vragen hebben we dan de das omgedaan. In het echte vragen geven we onszelf prijs, laat ik mezelf en mijn afweer los. Dit vragen, zoals in de filosofie van Heidegger, is een niet-eigentijds vragen.

Deze filosofie die Heidegger voorstaat is geen mode, zij wordt niet misbruikt voor de behoeften van de dag. We kunnen deze filosofie van het vragen niet aanleren, zoals we een ambacht of technische kennis kunnen aanleren, die we kunnen toepassen of op haar nuttigheid beoordelen. Maar het nutteloze kan ondanks dit toch een macht van betekenis zijn. We kunnen niet goed zeggen waartoe ze in staat is omdat het ons gegeven wordt. Wel dat zich in ons wankelen tussen zijn en niet-zijn onvermoede mogelijkheden bevinden om ons erzijn (toch) te verstaan.

© Bram Zoon (2020)

[1] Ik heb me in deze alinea laten inspireren door het relaas van Lotte Driessen in Trouw (5 december 2018). ‘Ik voel in mijn buik dat ik leef’.

Martin Heidegger  ̶  Inleiding in de Metafysica, 1997.

Het Schrale Eind

Het schrale Eind kreeg ik september jl. van mijn jongste broer Bert. Ik was er meteen door gegrepen. Het is een tekst die Bas Sleeuwenhoek schreef ter gelegenheid van het 75-jarige bestaan van de Afsluitdijk en wat leidde tot Een reis langs de bedwongen Zuiderzee (2006). Als je meer wil weten over de afsluiting van de Zuiderzee, is dit een aanrader.

Sleeuwenhoek hanteert een bijzondere wijze van geschiedschrijving, hij trok langs het IJsselmeer en interviewde meer dan honderd kustbewoners over de aanleg van de Afsluitdijk. Hij maakte op journalistieke wijze gebruik van hun zintuigen en bewustzijn om de veranderingen in het landschap en de mentaliteit te beschrijven. Wat kenterde er in het landschap toen eb en vloed verdwenen? Wat bleef er over van de grilligheid van de Zuiderzee?

‘Vissers, jagers, stropers en boeren vertellen over hun geboortegrond, over de armoede en de smaak van bokking, over het navigatiespel met de kerktorens en het mysterie van de natuur. Ze vertellen over de grote omwenteling: de komst van duizenden arbeiders op Wieringen, het laatste stroomgat in de Afsluitdijk en het dode water. Dankzij de snoekbaars en de paling brak op het IJsselmeer een nieuwe vruchtbare periode aan, maar al snel kregen techniek en hebzucht de overhand.’

Samenvatting van de uitgeverij De Grintfisker

Op 28 mei 1932 om 13.02 uur liep Grietje Bosker uit Hippolytushoef als eerste over de gesloten Afsluitdijk. Sindsdien kreeg Nederland er met de Zuiderzeepolders een ‘twaalfde provincie’ bij. Het Schrale Eind is een boek over traditie, over geboortegrond, over gewone mensen die een leven lang op een plek hebben gewoond en daardoor een bijzondere band koesteren met land en water. Sleeuwenhoek bezoekt de eenmanshaventjes in Gaasterland, beklimt het laatste Zuiderzeeduin op de Veluwe en proeft de brakke akkers in de Wieringermeer. De reis begint en eindigt in Laaksum, vlakbij de plek waar ingenieur Adriaan Huët in de 19de eeuw een afsluitdijk plande: een dijk die nooit werd aangelegd.

Om iets te demonstreren van de fraaie verteltrant van Sleeuwenhoek citeer ik zijn beschrijving van ‘de dijk’. Wat is de betekenis en functie van de dijk?

‘De dijk is een depot vol aardse herinneringen. Onder de eentonige grasmat ligt het verweekte puin van kerken, boerenhuizen en schuurtjes. Je vindt er houten palen zo gaaf als wasknijpers, grillige zandlijnen van even grillige stormvloeden, en met wat geluk het knisperende schelpenpaadje van de dijkgraaf.

De dijk is de som van de golven die hem bedreigen, stroming en zijwaartse persing gevat in formules. Van kruiwagen tot graafmachine, van de eerste tere veenrichel tot aan de metershoge kleimuur; de dijk is een opeenhoping van ideeën, van gemaakte en gebroken reputaties.

De dijk is tweeduizend jaar plakkende klei en veen. Superieur door zijn vastheid en tegelijkertijd onbeholpen. Hij ligt daar maar. Zoveel schelpen tussen het basalt en niet eens een hand om te krabben. Geen mond om het uit te schreeuwen als je rug op breken staat. Geen voeten om weg te rennen. Een dijk houdt moedig stand of vergaat simpelweg tot modder.

Met het water als opdringerige minnaar willen we niets te maken hebben. Daarom zijn dijken zo hoog. De Duitse filosoof Ernst Kapp schreef: “De zee is als een vijand, wien men alleen door krijgslisten kan genaken. Hierdoor bezit de Nederlander een zeer praktische geest.”

Waar we dijken leggen, vormen we ons karakter. Het klinkt mooi, maar de strijd tegen het water is voor de meeste Hollanders geen voortdurende bezigheid. Een goede dijk raakt snel in de vergetelheid. Hij sust ons in slaap. Dan pas wordt het gevaarlijk.

[…] De dijk roept meer vragen op. Waarom een knik en niet recht? Waarom zie je er geen bloemperken? Tulpenvelden in rood, wit en blauw? Of een viskraam? Er zit wel eens een dorp of stad aan vast, maar waarom zijn de meeste dijken zo gespeend van enige luxe? Waarom zijn het vaak wegen die nergens naartoe leiden?

Dijken zien er saai uit, maar ooit waren ze dat niet. De 19e eeuwse Zuiderzeekust viel op door vindingrijkheid. Dijkenbouwers beschermden het eiland Schokland met kistwerken vol puin die op bumpers leken. In Noord-Holland lagen uitbundige zeeweringen met metershoge blokken samengeperst wier. De golven werden er gekeerd als troepen soldaten die zich tegen een muur doodliepen. In Friesland gingen dijken schuil achter houten fortificaties: palenrijen die, als een soort voorpost, tientallen kilometers dijk verdedigden.

Dijken begonnen in de loop der eeuwen steeds meer op elkaar te lijken. Er is namelijk maar één ontwerp dat voldoet: het flauw oplopende buitentalud. De golven raken er uitgeput als hardlopers op een zeephelling. Bij Diemen werd in 1676 de eerste flauwe helling langs de Zuiderzee aangelegd. Na eeuwen begon het verstand te zegevieren. Golven zijn geen soldaten.

[…] De Hollanders braken zich het hoofd. Toen wisten ze het. Iets waar de paalworm geen trek in had: een pantser van dwergkeien. Ze werden gekocht in Scandinavië of opgegraven in Drenthe. Met schepen, wagens en sleeën werden honderdduizenden keien aangevoerd. In het stenen tijdperk voor de dijkenbouwers waren zelfs de hunebedden niet meer veilig.

Dijken langs de Friese kust behielden hun houten kragen. De waterschappen bestreden de paalwormdoor spijkers in de zeepalen te slaan. Toen dat niet hielp werd er schoorvoetend steen voor de schermen gestort. Het hout was een kwestie van eigenzinnigheid, zoals een inspecteur van Waterstaat ondervond. Na de stormvloed van 1825 hield hij een pleidooi voor steen op de Friese dijken, maar er voeren al schepen naar Scandinavië om nieuw hout in te slaan. De Friezen bepaalden zelf wel hoe ze hun dijken maakten en de toepassing van hout bewees hun onafhankelijkheid. In 1925, zeven jaar voor de afsluiting van de Zuiderzee, beschermden de gordingen 42 kilometer aan de Friese kust. Pas tientallen jaren later verdwenen de meeste zeepalen en lagen de oude dijken er, net als aan de overkant, kaal en fantasieloos bij.’