Categorie archief: Weblog

Zijnsverstaan bij Heidegger

Met de tekst ‘De omkering naar het Zijn’ heb ik mijn onderzoek naar Heideggers zijnsverstaan vastgelegd. Wat ik ervan heb geleerd? In het bijzonder het grote belang van de wijze van reageren op filosofische vragen. Niet meteen ingaan op iets wat aan je wordt voorgelegd of voorgehouden. Beter is het om even in te houden, te denken voordat je reageert.

Stel nu eens dat ik mezelf de volgende vraag zou stellen: ‘Wat heb je eraan, aan Heideggers filosofie?’ Dan zou ik nu het volgende antwoorden: ‘Dat is een typische – niet onbelangrijke (!) – vraag die voortkomt uit het rekenende denken. Een vraag ook die je, als je niet een beetje op je hoede bent, rechtstreeks wil beantwoorden.

Van Heidegger heb ik geleerd terughoudend te zijn tegenover dergelijke vragen, bijvoorbeeld door het stellen van een tegenvraag: Wat is dat voor een vraag? Waarnaar verwijst ze? Maar ook heb ik geleerd dat ons reageren altijd een aan plaats en tijd gebonden denkend vragen is, dat ook anders kan gaan. Maar wel met het doel om elkaar langs de beschouwelijke weg terug te voeren op onze uitgangspunten of vooronderstellingen, deze te laten en niet(-s) te forceren. Om zo openheid te creëren naar het erzijn en daarbij stil te staan. Dat kan een mogelijke – nieuwe en onverwachte – uitkomst zijn. Het betekent een dialoog aangaan met jezelf, met de anderen, maar ook met een tekst, zoals ik heb gedaan in de hoofdstukken ‘Wat heet denken?’ en ‘Het verstaan van de roep’. Dit was een bijzonder nuttige, maar ook – pijnlijke én bevrijdende – leerervaring.

Pijnlijk omdat mijn vermeende oneindigheid ruw is ingewisseld voor het besef van mijn eindigheid, nu drukt de last van de toekomst zwaarder op mijn schouders dan het heden. Maar ook bevrijdend, omdat ik niet langer overgeleverd ben aan datzelfde heden met zijn verslavende mogelijkheden. Niet langer wil en kan ik het mezelf te moeten opgeven uit de weg gaan.

© Bram Zoon (2018)

La Huerta de Valencia

In de Costa Blanca (provincie Valencia) bestaat een wijd en fijn vertakt irrigatie complex, zowel boven- als ondergronds. Het water wordt onttrokken aan de stuwmeren, de boeren gebruiken het om hun akkers te bevloeien. Door het beheerst omgaan met de aan- en afvoer van water is het gebied uiteindelijk na een lange strijd  geschikt geworden voor het verbouwen van gewassen.[1]

Het ontstaan van dit bevloeiingssysteem voert terug naar de 18e eeuw toen de bisschop van Cartagena, Don Luis Antonio de Belluga y Moncado, opdracht gaf om de moerasgronden aan de monding van de rivier de Río Segura om te zetten in vruchtbare landbouwgrond.[2]

[1] Titel ontleend aan: La Huerta de Valencia – Irrigatie op de vlakte, door P. van der Sluis, 25 dec. 2017.

[2] Bron: Wikipedia.

© Bram Zoon (2018)

De vooruitgang

La Marina, ooit een kleine vissersplaats, is nu een door toerisme gedomineerd dorp. Deze plek, kleiner dan een stad maar groter dan een dorp, bevindt zich tussen Guardamar del Segura en Santa Pola vlak langs de Middellandse Zee. Aan de hoofdstraat, de Avenida de la Alegria, ligt verscholen achter billboards dit kleine en bijzondere landgoed. Die borden schreeuwen de bezoekers en omwonenden toe dat hier binnenkort appartementen zullen verrijzen tegen scherpe prijzen.

Als je in La Marina bent vallen meteen urbanisaties op, het zijn  gebieden waar de villa’s en de appartementencomplexen van de toeristen staan of verrijzen. De kroon wordt gespannen door het uitgestrekte La Marina-Oasis dat aan de westzijde van het dorp, over de N-332, is gebouwd. Alles ademt hier de sfeer van de grote vooruitgang uit. De bevolking is in de afgelopen jaren toegenomen met meer dan 50%.

Het lijkt wel alsof iedereen hier ondernemer is gemaakt of geworden en geef ze eens ongelijk, men wil allemaal mee profiteren van de expansiedrift die hier heerst. Maar wat betekent dat voor het kleine landgoed, zal dat ook geofferd worden aan de maatschappelijke verbetering van haar bewoners. Misschien levert de grond van dit overblijfsel uit een voorbije tijd ook  veel geld op..?

© Bram Zoon (2018)

Verschroeide aarde

Aan de zuidkant van het Parc Natural del Hondo[1] bevindt zich langs de CV81 dit verbrande palmenbos. Toen ik het als argeloze fietser naderde moest ik onmiddellijk denken aan de militaire tactiek van de verschroeide aarde. Het vijandelijke gebied – dat verlaten moet worden – wordt tot op de grond toe verbrand, volledig vernietigd achtergelaten. Zelfs geen grassprietje mag overeind blijven. Weegt de prijs die de overwinnaars moeten betalen voor het verdrijven van de vijand op tegen de verliezen? Of, wat is er eigenlijk aan de hand met dit verwoeste terrein, vraag je je willekeurig af?

De vijand van het palmenbos is de rhynchophorus cruentatus die verjaagd moest worden. Deze rode palmkever en plaaginsect vreet gezonde palmen nietsontziend aan. Als alle bestrijdingsmethoden hebben gefaald is het verbranden van de palmbomen de enige oplossing die de telers hebben om verdere besmetting van hun gewassen te voorkomen.

Wie is winnaar, verliezer en van wat, vroeg ik me vervolgens af? Er tekenen zich twee situaties af.

 De prijs van de overwinning.

In het eerste geval is het patroon van aanvaller en verliezer vermengd. De overwinning moet duur worden betaald en kan wellicht niet opwegen tegen de verliezen. De gevolgen van het geweld, veroorzaakt door de mens, kunnen immers verschrikkelijk zijn? De wraakzuchtige verliezer heeft veroorzaakt dat de winnaar geen afweging van kosten en baten meer heeft kunnen maken?

De prijs van de overmoed

In het tweede geval wordt de mens door de natuur in de verdediging gedrongen. Hij moet zich neerleggen bij de suprematie van de natuur, de kever. Zijn pogingen om deze in zijn greep te krijgen moet hij, om erger te voorkomen, opgeven.

In het eerste geval is het bereik van het geweld ontelbare malen groter en in het andere geval blijft deze beperkt tot de ondernemer die, in weerwil van zijn bestrijdingsmethoden, zijn verlies moet nemen en het palmenbos ‘afschrijven’.

Het oorlogsgeweld zonder gezicht tegenover de natuur die de mens op zijn knieën dwingt.

[1] http://www.refugiomarnes.com/blog/activiteiten/vogelen-vogelgebieden/vogelgebied-alicante-el-hondo/

PS Maar misschien is dit allemaal irrationeel, als dat het geval mocht zijn, dan kan er alleen maar over de achtergrond van dit verbrande palmenbos worden gespeculeerd.

©Bram Zoon (2018)

De cirkelvormige tijd

 

‘Het leven is een wiel en het draait en ge ziet altijd iets nieuws en ge ziet altijd hetzelfde.’ Louis Paul Boon(1912 – 1979)

Uit het essay ‘De cirkelvormige tijd’ van Jorge Luis Borges[1] komt mijn illusieloze Facebook citaat[2], met het drievoudige ‘De leer van de cycli’ vormt het zijn verweer tegen Nietzsche leer van de Eeuwige wederkeer.[3]  Het FB-citaat is overigens van Schopenhauer, iemand die Borges zijn hele leven heeft bewonderd. Maar het gaat er hier nu om dit citaat enigszins in te bedden in de bedoelingen die Borges hierbij voor ogen stonden.

Borges haalt Marcus Auerelius aan: ‘Al telde jouw leven 3000 of 10 x 3000 jaren, bedenk dat niemand een ander leven verliest dan wat hij leeft en dat hij geen ander leven leeft dan dat hij verliest. De langste en de kortste termijn zijn derhalve identiek. Het heden is er voor iedereen; sterven is heden, een zeer korte tijdspanne verliezen. Niemand verliest het verleden of de toekomst want me kan niemand afpakken wat hij niet heeft. […]’.

“Als we bovenstaande regels met enige ernst lezen […] , zullen we zien dat ze twee curieuze gedachten verwoorden en vooronderstellen. De eerste is dat ze het verleden of de toekomst werkelijkheid ontzeggen. Zij komt tot uitdrukking in deze passage van Schopenhauer: “De verschijningsvorm van de wil is alleen het heden, niet de toekomst of het verleden; die bestaan slechts als denkbeeld en in samenhang met het bewustzijn, voor zover dat is onderworpen aan het redelijkheidsbeginsel. [en dan volgt nu het gebruikte citaat] ‘Niemand leeft in het verleden geleefd en niemand zal in de toekomst leven; het heden is de vorm van alle leven.’ De tweede ontkent net als Prediker dat er ooit iets nieuws onder de zon is. De gissing dat alle ervaringen van de mens (op een of andere manier) analoog zijn, kan op het eerste gezicht overkomen als eenvoudige verarming van de wereld.”

Borges rondt dan uiteindelijk als volgt af: ‘In tijden van bloei kan de gedachte dat het bestaan van de mens een constante, onveranderlijke kwantiteit is, tot triestheid stemmen of irriteren; in tijden van verval (zoals de huidige) betekent het de belofte dat geen enkel smaad, geen enkele ramp, geen enkele dictator ons ooit kan verarmen.’

©Bram Zoon (2018)

[1] Geboren 24 augustus 1899, Buenos Aires, Argentinië Overleden: 14 juni 1986, Genève, Zwitserland.

[2] ‘Niemand leeft in het verleden geleefd en niemand zal in de toekomst leven; het heden is de vorm van alle leven.’

[3] Jorg Luis Borges, De essays, 2016, pag. 245 – 261. De hier aangehaalde uiteenzettingen werden overigens in ‘De geschiedenis van de eeuwigheid’ (1936) gepubliceerd.

Het rijk van het zijn (2)

De herkomst van het Facebook citaat heb ik kunnen achterhalen. Het is afkomstig uit Tirade, jaargang 24 (nrs. 252-261)(1980). En wat ik al vermoede wordt meteen bewaarheid. We zien namelijk meteen dat het Facebook (zie ‘Het rijk van het zijn’ [1])citaat volledig uit zijn verband is gerukt. Tussen de laatste regel en de voorgaande tekst ontbreekt een belangrijk gedeelte, onder andere een aanhaling van Judith Hertzbergs ‘Ziekenbezoek’. [1] Verderop zal ik zelf iets laten zien wat een geheel ander licht werpt op deze tekst en wat gemakshalve is weggelaten.

Ik geef hierbij de link, de lezer kan dan – desgewenst  – zelf zien hoe onbeholpen en is geciteerd: http://www.dbnl.org/tekst/_tiop r001198001_01/_tir001198001_01_0071.php

Waarom doet zo iemand dat, zó citeren? Ter meerdere eer en glorie van zichzelf, het snelle gewin? Is het uit domheid, onwetenheid? Waarom beschadigt diegene De Conincks gedachtegoed, diens toelichting en herneming? Heeft een dergelijke brute toe-eigening ook maar iets met ‘het rijk van het zijn’ van doen?

Wat blijkt namelijk, als we het Tirade artikel ‘Over de troost van pessimisme’ (nb!) lezen? Ik citeer:

Eigenlijk zeg ik dit achteraf. Als ik het toen gezegd had, was ik een goeie leraar geweest. Het was wat ik ongeveer had kunnen zeggen, had ik niet met de mond vol tanden gestaan. Hoe langer ik sindsdien echter over die vraag gedacht heb, hoe minder dom ik ze ging vinden, maar hoe onvollediger mijn antwoord erop.

Poëzie dient namelijk wèl ergens toe.

Het zou te gemakkelijk zijn, dat te bewijzen met voorbeelden van geëngageerde poëzie, Neruda, Brecht, Nicolas Guillèn: daar krijg je eventueel nog een bruikbare verontwaardiging van mee, een protest waar mee te werken valt. Net zoals religieuze poëzie, voor wie gelooft, nuttig kan zijn, omdat ze je nader brengt tot?

Het is verbluffend hoe kortzichtig en leeghoofdig men op Facebook aan de loop kan gaan met andermans spullen en bovendien een misplaatst beeld oproept van wat in dit geval De Coninck wilde zeggen.

© Bram Zoon (2018)

[1] ‘Ziekenbezoek’ van Judith Herzberg:

 ‘Mijn vader had een uur lang zitten zwijgen bij mijn bed.
Toen hij zijn hoed had opgezet
zei ik, nou, dit gesprek
is makkelijk te resumeren.
Nee, zei hij, nee, toch niet,
je moet het maar eens proberen.’

 

 

Het rijk van het zijn (1)

Ik sta stil bij een aan Herman de Coninck (Mechelen, 21 februari 1944 – Lissabon, 22 mei 1997) toegeschreven passage:

Toen ik ooit lesgaf, poëzie aan jongens die daar helemaal niet om gevraagd hadden, was de eerste vraag: moeten we dat kennen voor het examen? Nee, voor het leven, zei ik. En de tweede vraag was: waartoe dient dat dan? Ik vond dat een erg domme vraag, en probeerde kwaadaardig te onthouden wie ze gesteld had. Poëzie dient namelijk nergens toe, en dat is op zich al een verdienste. Deze wereld wordt verpest door zijn utilitarisme, als iets niet meer meteen winstgevend is, deugt het niet. Dus leve het nutteloze. Waartoe dient een wandeling door het bos? Hoeveel is dat waard? Wat mag zo’n bos kosten? Hoeveel kost stilte? [en dan opeens, pardoes, alsof het uit de lucht valt…] Poëzie behoort tot het rijk van het zijn.

Dit citaat trof ik zo in deze vorm aan op Facebook en ik deelde het terstond op mijn pagina omdat ik het een bijzondere en mooie tekst vond. Maar bij nader inzien is er iets goed mis met deze tekst, het heeft iets misleidends en kroms in zich. Zo is de vraag waarmee de leraar werd geconfronteerd ‘waartoe dient dat dan?’ geen domme maar juist een verstandige en kansrijke vraag om over het rijk van het zijn na te denken. Ik begrijp die kwaadaardige reactie van deze man niet goed. Waarom is het zo erg om met de mond vol tanden te staan, begint daarmee niet juist alle ‘zijnsverstaan’? Misschien is het gekwetste ijdelheid, als dat zo is heeft de onderwijzer er zelf niet veel van begrepen.

Poëzie zou tot de categorie van het nutteloze behoren. Maar zo bont heb ik het nog niet vaak gehoord of gelezen. Omdat het nutteloze juist de aanwezigheid van nut vooronderstelt netzo als zinloosheid zin. Poezie dusdanig afdoen is nogal wat en heeft alles van het kind met het badwater weggooien. En waarom eigenlijk ‘nut’ en geen andere categorie, bijvoorbeeld ‘betekenis’? Nutteloos lijkt hier een nogal willekeurig gekozen categorie en geen recht te doen aan haar vermeende tegendeel ‘zijn’. Het nuttige lijkt te zijn aangewend om het punt van het zijn te forceren of er bij te slepen, het is de argumentatie en de doordenking die in deze goed ogende passage rammelt. Maar misschien is dit verkeerd of slordig geciteerd, of uit zijn context gelicht, reden genoeg om de herkomst en de strekking van dit citaat te achterhalen en op zijn merites te beoordelen. Wordt vervolgd.

© Bram Zoon (2018)