Maandelijks archief: oktober 2018

De uil van Minerva

vliegt slechts uit als het donker wordt

Met deze vaststelling wordt verwezen naar de mogelijkheid dat wijsheid pas in de herfst van ons leven kan worden verkregen, als ons einde tastbaarder wordt. In het licht van het einde komen we tot waarheid omtrent onszelf en de anderen. Als onze greep op de dingen wegvalt, als we de ontzetting van de leegte kunnen dragen zijn we instaat om ondeelbaar te leven en op dat moment sterven we, vallen we weg in de eeuwigheid.

In mijn nieuwe boek Villa Minerva spreekt de hoofdpersoon Timo Ketelaar in dit verband van een ‘onvoorziene klaarheid van geest’ die hem bij het terugkijken op zijn leven is toegevallen. Laten we eens kijken wat hem is overkomen.

Ketelaar vertelt zijn vrouw Emma dat hij van plan is om zijn laatste dagboek aantekeningen te bundelen. Ik zal iets citeren uit het gesprek dat ze hier hierover hebben:

‘Heb ik het goed dat je uit de losse delen van het dagboek het geheel van je leven wilt afleiden?’

‘Ja, dat is mijn ambitie. Precies. Op een onverwacht moment kijk je terug op je leven. Opeens zie je hoe het is verlopen. De tot dan toe verborgen samenhang komt onverwacht aan de oppervlakte van je bewustzijn drijven. Om deze onvoorziene klaarheid van geest draait het in deze Villa Minerva. Ogenschijnlijk losse en op zichzelf staande gebeurtenissen vallen op hun plaats, vertonen een onverklaarbare en verbluffende samenhang. Schrijver en lezer zien de voorstelling van een bewustwordingsproces, uiteengelegd in deelstappen, aan zich voorbijtrekken.’ Timo kijkt Emma vragend en onderzoekend aan. Zou ze het een werkbaar idee vinden?

‘Een dergelijke ontwikkeling verloopt niet al te gestroomlijnd. Ik zou het jammer vinden als je die indruk zou wekken.’

‘Oké. Eerder grillig, met breuken, sprongen; momenten van groot geluk, pijn en verdriet wisselen elkaar af. Onvoorspelbaar,’ zegt hij instemmend.

‘Ik geloof er wel in, nu jij nog, geef het een kans. Laat het ontstaan en haast je vooral niet.’

Van de hierboven veronderstelde absolute geest, waar we ons pas later bewust van worden, is hier minder sprake. Eerder op een verbrokkelde, gefragmenteerde wijze, verschijnt het aan Ketelaar. Het vermoeden rijst dat het leven zelf ons belemmert om tot bewustzijn te komen. Alsof we tegen de verdrukking in van de tijd tot een klaar inzicht komen, een doorzicht dat we niet zelf hebben ge- en bevorderd, maar dat ons is geschonken. Doordat Timo letterlijk schipbreuk leidt komt hij in een stemming die niet langer beheerst wordt door de bedwelmende perspectieven van het heden, wellicht is dat toch die absolute waarheid? Bijna alles valt in die ruimte van hem af. Behoeft het daarom verbazing dat het centrale motto in mijn boek ‘Toen ik schipbreuk leed, voer ik goed’, is? Dit credo is ontleend aan Arthur Schopenhauer.

Bram Zoon, Villa Minerva, Brave New Books

Paperback: 130 pp., € 14,95 – ISBN: 9789402178869

E-book: € 3,65 – ISBN: 9789402179149

©Bram Zoon (2018)

Vragend denken

Over de kunst van het openlaten

De hieronder geplaatste tekst van Gadamer kwam ik bij toeval tegen op de facebook pagina van Marc van den Bossche.[1] Ik was er meteen door gefascineerd, maar omdat ik het nogal vluchtig had gelezen nam ik me voor om het later wat grondiger te bekijken. Toen ik weer naar de bewuste facebookpagina terugkeerde was het verdwenen. Via hetzelfde medium heb ik hem gevraagd of hij me op enigerlei wijze aan dit tekstje zou kunnen helpen. In minder dan 2 uur stond het tot mijn verrassing in mijn chatbox.

Ter verdere inleiding doe ik een poging om eerst iets over Gadamer en diens kijk op de werkelijkheid te zeggen, daarna volgt dan het betreffende citaat.

De bewuste tekst is van Hans-Georg Gademer (1900 – 1902) en afkomstig uit zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode (1960). Deze Gadamer was een leerling van Heidegger. In mijn oude en vertrouwde syllabus over ‘hermeneutiek’ lees ik dat hij: ‘[…] de implicaties van Heideggers “fenomenologische hermeneutiek” heeft uitgewerkt en meer toegankelijk gemaakt. Gadamers grote verdienste is zijn zorgvuldige exploratie in de mogelijkheden en de grenzen van een filosofische hermeneutiek.’ Het gaat hierbij om de waarheidservaringen die het gangbare wetenschappelijke waarheidsbegrip te overstijgen. Iets dat we in het onderstaande citaat goed kunnen zien. Onze zogenoemde objectivistische benaderingswijze van de dingen schiet iedere keer weer tekort. De historische geschiedenis is geen objectief gegeven, zij berust op het vooroordeel dat het een onzijdig, een universeel gegeven is.[2]

‘Het nauwe verband dat tussen vragen en begrijpen blijkt te bestaan geeft de hermeneutische ervaring pas haar ware dimensie. Wie wil verstaan, kan de waarheid van het bedoelde in het midden laten. Hij kan zich van de zich direct opdringende meningen over de zaak terugbuigen naar de betekenisopvatting als zodanig en deze niet als waar, maar louter als zinvol beschouwen, zodat de waarheidsmogelijkheid open blijft – dit openlaten is de eigen en oorspronkelijke essentie van het vragen. Vragen laat altijd mogelijkheden zien die nog openliggen. Daarom kunnen we een vraagstuk niet begrijpen door ons erover te buigen zonder echt te vragen, zoals we een opvatting wel kunnen begrijpen door ons erover te buigen zonder die opvatting te delen. Begrijpen wat voor vragen iets oproept is veeleer altijd al vragen. Tegenover vragen kun je geen puur hypothetische, potentiële houding aannemen, omdat vragen geen poneren, maar zelf uitproberen van mogelijkheden is. Hier wordt vanuit het wezen van het vragen duidelijk wat Plato’s dialogen in hun feitelijke voltrekking demonstreren. Wie wil denken, moet zich dingen afvragen. Ook als iemand zegt: ‘Hier zou je je kunnen afvragen … .’, is dat al echt vragen, alleen in voorzichtige of hoffelijk bedekte termen. Dat is de reden waarom al het begrijpen altijd meer is dan pure inleving in andermans mening. Door te vragen legt het betekenismogelijkheden open, en daarmee gaat wat zinvol is in de eigen opvattingen over. Alleen in oneigenlijke zin kan men ook vragen begrijpen die men niet zelf vraagt, bijvoorbeeld vragen die men als gedateerd of overbodig beschouwt. Dat betekent dan dat men begrijpt hoe onder bepaalde historische omstandigheden bepaalde vragen zijn gesteld. Het begrijpen van vragen betekent dan de betreffende omstandigheden begrijpen, en dat die achterhaald zijn betekent dat de vraag zelf achterhaald is. Denk bijvoorbeeld aan het perpetuum mobile. De betekenishorizon van zulke vragen ligt slechts schijnbaar nog open. Ze worden niet meer als vragen begrepen. Want wat men in zo’n geval begrijpt, is juist dat er geen vraag ligt. Een vraag begrijpen betekent haar vragen. Een mening begrijpen betekent deze als antwoord op een vraag begrijpen.’

Hans-Georg Gadamer – Waarheid en Methode, Hoofdlijnen van een filosofische hermeneutiek. Uitgeverij Vantilt (2014) pag. 357 – 358.

[1] Met dank aan Marc van den Bossche: https://www.facebook.com/marc.vandenbossche.79?fref=nf

[2] Gadamer kwam door dergelijke onderscheidingen tot de ‘rehabilitatie van het vooroordeel’. Elk oordeel is een voorlopig vooroordeel, een voorwaarde voor het doorlopen van een verstaans-beweging.