Alle berichten van Bram Zoon

Over Bram Zoon

Bram Zoon komt uit een gezin van zeven jongens en een meisje. Hij studeerde bedrijfs- en organisatiekunde in Rotterdam (EUR) en Utrecht (Master of Management Change). In december 2010 debuteerde Zoon met Gloed van Liefde, een egodocument. Twee jaar later volgden Egbert Reitsma: architect en kunstschilder en Hemelsplein, een novelle over de zoektocht naar waarheid van econoom Jacob Walbeek. Maart 2014 verscheen De rots van Calpe, waarvan nog datzelfde jaar een tweede druk verscheen. In datzelfde jaar werd Glow of Love bij America Star Books gepubliceerd. In juni 2015 kwam De illusie van de zelfbepaling uit, een bundeling van filosofische essays; prof. dr. Frans Jacobs schreef het voorwoord. Onlangs (september, 2018) kwam de novelle Villa Minerva - Kroniek van een dagboekschrijver, uit bij Brave New Books. Maart 2020 verscheen het essay Kabinet van Heidegger.

Inkijkexemplaar Kabinet van Heidegger

Dit Kabinet van Heidegger is de zinnebeeldige voorstelling van mijn onderzoek naar het denken van en het zijnsverstaan bij Heidegger. In deze kast liggen de tastbare resultaten netjes gegroepeerd en opgeslagen van mijn belevenissen met deze filosoof. Het gaat hier onder meer om de boeken en tijdschriften die ik heb aangeschaft en gelezen en om de meerdere voorlopers van dit verslag. Mijn inzet om dit materiaal ordelijk te presenteren is bedrieglijk omdat het een veel bewogen en verwarrende periode – weliswaar met een duidelijk begin en einde – maskeert waarin ik in het gezelschap van deze denker ben geweest.

Lees verder klik aan:  Inkijkexemplaar Kabinet van Heidegger

What do you want to do ?

New mail

Zijnsverstaan bij Heidegger, Schopenhauer en Borges

Martin Heidegger hecht een gering belang aan onze individualiteit. Hij laat niet na om keer op keer de overtuiging te bestrijden dat wij onszelf en onze toekomst naar onze hand zouden kunnen zetten. Maar hij legt bij mijn weten niet uit waaróm we dat niet kunnen. Of, anders gezegd, waarom is onze persoonlijkheid eigenlijk zo onbeduidend en waarom frustreert ze onze pogingen om tot zijnsverstaan te komen? Daar wil ik nu verder op ingaan. Ik ga daarbij te rade bij Arthur Schopenhauer en Jorge Luis Borges.[1]

Ten slotte wil ik dan aandacht besteden aan de zijnservaring als zodanig, iets dat we bij Heidegger alleen in indirecte zin aantreffen en waar ik hier aandacht voor wil vragen. In ontische zin valt er wel degelijk iets over de zijnservaring te zeggen. Heidegger, de denker, roept dichters te hulp om ervan te spreken. Borges, de dichter én denker, roept bijvoorbeeld Schopenhauer te hulp, hij geeft uitdrukking aan de wijze waarop de zijnservaring aan hem verschijnt. Hij vertolkt daarmee iets dat min of meer ontbreekt in Heideggers filosofie.

Lees verder, klik aan:Zijnsverstaan bij Heidegger, Schopenhauer en Borges

[1] Een onderdeel genomen uit mijn essay Kabinet van Heidegger (2020), pag. 68 – 73.

What do you want to do ?

New mail

What do you want to do ?

New mail

Heruitgave Hemelsplein

Jacob Walbeek is een man die na zijn wielercarrière economie gaat studeren. Hij klimt op tot hoofd van het Economisch Bureau in een grote zakenbank. Wanneer hij als jonge vijftiger op het hoogtepunt van zijn loopbaan is aangeland krijgt hij een zware mentale inzinking. Hij ervaart een alles overheersend gevoel van leegte, iets dat hij niet kan verklaren. Het is een stemming die zijn gevoelsleven verdooft en die hem van zichzelf en de buitenwereld afsluit. Zonder dat hij het weet is hij tegelijkertijd cipier en gevangene van een kleurloze, lege en matte wereld geworden. Hij wordt ziek en kan uiteindelijk niet meer werken. Dan in een onverwacht moment neemt Walbeek het besluit om uit te zoeken wat er speelt en met hem aan de hand is. Met dit gegeven begint het verhaal van Bram Zoons nieuwe boek ‘over een man die naar waarheid zoekt.’

Dit boek bestaat uit drie delen en negen hoofdstukken.

In het eerste deel kijkt Walbeek via een aantal flashbacks terug op zijn leven. Naast zijn fascinatie voor wielrennen ontstaat tijdens een logeerpartij bij zijn lievelingstante de belangstelling voor muziek. Als zij overlijdt begint hij te vermoeden wat de achtergrond is van zijn stemmingsverandering.

In het tweede deel wordt Jacob verliefd op Lea. Ze gaan samenwonen en lopen op tegen onverwerkte aspecten uit hun verleden. Een bezoek aan het planetarium van Eise Eisinga in Franeker levert onverwachte nieuwe inzichten op. Juist op dat kruispuntmoment wordt Jacob ziek. In de herstelperiode die hierop volgt komt hij tot een zelfonderzoek. Daarbij speelt een overleden jeugdliefde en een plaquette die hij ooit van zijn moeder kreeg een belangrijke rol.

In het derde deel van het boek gaan Jacob en Lea op reis. Door een samenloop van toevalligheden tijdens een ziekenhuisopname, waarbij een beroemde Bach cantate van grote invloed is, vloeit alles ineen. Walbeek komt tenslotte tot de gezochte zuivering van zijn ziel en leven.

Jacob Walbeek is iemand die vanuit zijn vroege jeugd weinig controle heeft over zich zelf en zijn stemmingen. Ter compensatie ontwikkelt hij een houding waarin hij alles met zijn geestkracht beheerst. In het sportfietsen, dan in zijn studie, zijn leven. Hij gaat hierin zo ver dat hij in zijn werk met behulp van econometrische modellen voorspellingen kan doen over hoe zich de rente zal gaan ontwikkelen.

In plaats van zich zelf te leren vergeten [het motto van dit boek] verdringt hij zich zelf. Langs een omweg komt hij er achter dat niet hij, maar toeval en onwetendheid beslissender zijn dan zijn eigen hoogmoed. Jacobs zoeken naar waarheid en leven lopen naar mate het verhaal zich ontvouwt onlosmakelijk door elkaar. Hij leert dat hij in zijn zoeken traag en omzichtig te werk moet gaan én dat hij plaats moet maken voor de plotselinge onverklaarbare opwellingen in zijn leven.

Heruitgave Hemelsplein (2)

Heruitgave Hemelsplein, november 2020. ISBN: 9789464180893. Uitgever: Brave New Books. Prijs 14,91. Hemelsplein kan besteld worden via alle bij het Centraal Boekhuis aangesloten Nederlandse en Vlaamse boekwinkels (incl. bol.com).

Eerste druk, juli 2012.

 

What do you want to do ?

New mail

What do you want to do ?

New mail

What do you want to do ?

New mail

What do you want to do ?

New mail

Als de taal met ons op de loop gaat

Onlangs viel mijn oog opnieuw op een bijzondere tekst met de veelzeggende titel Leven zonder hoop of vrees. Het is al weer enige tijd geleden dat ik dit essay heb gedownload. Het moet ergens in 2014 zijn geweest, daarin roept de auteur Martin Stokhof de vraag op: ‘hoe we hebben te leven volgens Ludwig Wittgenstein?’ Of wat is het goede leven, volgens Wittgenstein? De titel suggereert al enigszins hoe dit er volgens deze filosoof uit zou kunnen (of moeten) zien. Ik citeer Stokhof opnieuw: ‘men leeft het goede leven als men alles wat er in het leven gebeurt, alles wat iemand daarin kan overkomen, tegemoet treedt zonder te hechten aan een bepaalde gang van zaken, een bepaalde uitkomst.’ Het gaat hierbij niet zozeer om een biografische verklaring als wel om ‘de uitkomst van een systematisch proces van filosofische reflectie op de aard van het goede, de (on)mogelijkheid van ethiek, de rol van de taal.’

In 2014 heb ik een poging gewaagd om ‘de rode draad in Ludwig Wittgensteins werk’ op te sporen, of dat is gelukt moeten anderen maar beoordelen. Aan de hand van zijn twee hoofdwerken, Tractatus logico-philosophicus en zijn latere Filosofische onderzoekingen, probeer ik in dit essay de rode draad in Wittgensteins denken op te sporen en te verhelderen, daarin spelen de thema’s (ethiek en taal) een rol. Daarbij heb ik o.a. veel gehad aan het bewuste essay van Stokhof.[1]

Ga voor mijn tekst naar: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2020/08/Bram-Zoon-Als-de-taal-met-ons-op-de-loop-gaat.pdf Deze tekst werd gepubliceerd in De illusie van de zelfbepaling, 2015.

[1] Het gaat hier om een publicatie via Academia, een internetplatform. Het essay verscheen eveneens in Filosofie, november 2010.

Zicht- en onzichtbaar

In het werk van Bram Zoon speelt een centraal thema een belangrijke rol. Het is de betekenis van de zichtbare en de onzichtbare wereld voor zijn personages. Al meteen in zijn debuut Gloed van liefde en in zijn latere boeken en essays is deze fascinatie voor de verhouding tussen beide sferen waarneem- en tastbaar.

Deze daad vormt een belangrijke verklaring voor het feit dat de filosoof Martin Heidegger (1889 – 1976) in zijn belangstelling staat. Omdat deze een bijzonder licht heeft geworpen op de verhouding en betekenis van beide werelden door middel van ons erzijn. In het essay Kabinet van Heidegger doet hij verslag van zijn onderzoek naar het zijnsverstaan en het denken van deze denker.

Het veel gehoorde vooroordeel tegenover Heidegger is dat zijn werk ondoorgrondelijk is. Zoon accepteert dit denkbeeld én wijst haar tegelijkertijd af. Aan de hand van een drieledige aanvangsvraagstelling licht hij dit nader toe.

Enkele van zijn conclusies luiden: dat het zijnsverstaan ons voor een lastige dubbelzinnigheid plaatst. Dit dilemma houdt in dat ons niet alleen de woorden maar ook de grammatica ontbreken om tot het zijnsmysterie door te dringen. Zolang wij onszelf centraal blijven stellen zullen we niet geneigd zijn om ons op het zijn te oriënteren. Zijn slotconclusie luidt dat Heidegger niet zo zeer onbegrijpelijk is, maar dat wij het zelf zijn die de weg in het levenslabyrint zijn kwijtgeraakt.

54 x 14

Ik lig in bed en kan de slaap niet vatten. De display van de Sony wekker geeft 02.45 uur aan, het is maandag 15 november 1999. Ik heb nog steeds geen oog dicht gedaan, straks moet ik er om 07.30 uur uit. Ik lig nog na te genieten van mijn fraaie overwinning. Ik heb zoveel van mijn lichaam gevergd dat het nu nóg niet tot rust is gekomen. Ik wilde ervoor sterven, maar het was allemaal niet nodig, zo goed was ik. Ik ben innerlijk kalm, het lijkt alsof ik in een film speel en alles zomaar aan me voorbijgaat. Ik kijk naar wat er is gebeurd die zondagmiddag, ik sta er schijnbaar buiten, neem er niet aan deel, maar niets is echter minder waar: ik onderga alles opnieuw met een heldere en zuivere geest, geen detail ontgaat me. Lees verder: https://www.bramzoon.com/wp-content/uploads/2020/04/Bram-Zoon-54-x-14.pdf

Pater Karmeliet Edgar Koning overleden

© Bram Zoon (2017)

“Prior Edgar Koning in het door hem – onlangs – ontworpen labyrint in de tuin van het Karmelieten klooster te Zenderen. Over deze spiraalsgewijze cirkels zegt hij: ‘In de huidige tijd is de weg door het labyrint voor talloze mensen een metafoor voor hun levenspad. In het echte leven kent ons pad ook de nodige verwachte én onverwachte wendingen. De vorm van het labyrint geeft vertrouwen dat je je bestemming ook echt kan bereiken.’”[1]

Gisteravond werd ik benaderd door Henro Munsterman (van het Nederlands Dagblad) met de verdrietige mededeling dat pater Edgar Koning O. Carm als gevolg van het Corona-virus is overleden in het ziekenhuis te Almelo.

Toen dit slechte nieuws enigszins tot mij doordrong, werd ik mij opnieuw bewust van het feit dat ik Edgar bijzondere erkentelijkheid verschuldigd ben. Ik koester dierbare herinneringen aan hem.

In de afgelopen jaren heb ik hem meerdere keren bezocht, tijdens onze ontmoetingen deed hij zich kennen als een vrijmoedig man. Op mijn bezorgdheden reageerde hij altijd onverschrokken en rechtstreeks, al snel wist hij me met zijn humor en hartelijkheid gerust te stellen. Vanaf het moment dat ik begon met schrijven van teksten heeft hij me aangemoedigd.

Toen ik hem, nu al weer geruime tijd geleden, vertelde dat ik graag parttime monnik zou willen worden steunde hij me onvoorwaardelijk. Toen dit verzoek door het bestuur van de orde werd afgewezen zei hij: dat ik altijd welkom was en dat er een plek voor me zou zijn. Zo is het ook steeds gebeurd.

Zijn overlijden laat een groot gevoel van leegte en verdriet in me achter. Ik zal hem ontzettend missen.

Rotterdam, 1 april 2020

[1] Afkomstig van mijn facebookpagina, 21 juni 2017.

De afgebroken zuil

Commentaar op het ‘In memoriam Giel Provoost’[1]

In hoeverre Bram Zoon zich de vraag heeft gesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de bovenmatige inspanningen die zijn ‘held’ Giel Provoost opbracht en diens abrupte dood blijft onopgelost. Het vermoeden  rijst dat hij deze vraag als ongepast, oninteressant of als ‘burgerlijk’ van de hand heeft gedaan.

Zoon stapt niet in de val van de gemakkelijke tragiek van zijn protagonist. Hij had immers  de vraag op kunnen roepen of Provoost zich wel had kunnen neer leggen bij het einde van diens actieve wielercarrière? Indien dit niet het geval was geweest had diens ‘trots’ immers tot zijn dood geleid! Dat heeft hij vermeden, niet gedaan.

Zoon heeft eveneens een eenvoudige identificatie met Provoost willen vermijden. Hij heeft zich niet de eigenschappen van Provoost zomaar eigen gemaakt. Wel heeft hij met dit IM het einde van zijn eigen wielercarrière onderstreept.

Hij heeft met zijn IM een monument willen oprichten voor de ‘gewone sporter’, die je bij wijze van spreken om de hoek van de straat, in de Hoekse Waard, aan het werk kunt zien. Het gaat hierbij om mensen die door hun bijzondere inzet, talent en spelplezier ver boven zich zelf uitstijgen en die niet de TV of de ochtendkrant halen. Bij deze sporters is geen plaats voor het nauwelijks verholen gepoch of  gesnoef over de eigen prestatie die zo vaak het commentaar en het interview met bekende sportlieden kenmerkt. Het gaat in zijn IM om een welgemeende huldeblijk voor iemand die zich zonder voorbehoud gaf en als dit tot succes leidde zich hier nooit op voor liet staan en met grote blijmoedigheid zijn ‘verlies’ nam.

Zoon heeft het licht willen werpen op een levensstijl die je als ‘romantisch’ zou kunnen typeren. Giel Provoost komt naar voren als iemand met een buitengewone  passie voor zijn sport, het leven zélf. Dat is zeer benijdenswaardig en als je dit kunt ervaren stroomt er een groot geluk door je aderen.

[1] https://www.bramzoon.com/uncategorized/in-memoriam/

 

 

In memoriam Giel Provoost (1951 – 2009)

3 april as. is het 11 jaar geleden dat de onvergetelijke Giel Provoost overleed, om hem te herdenken schreef ik indertijd het hierbij gevoegde IM.

Ze kijkt opnieuw nu langer en smekend naar ons alsof wij hem het leven terug kunnen geven…

Op de heenweg praten Ferry van der Touw en ik druk over hem. De gloednieuwe zwarte XC 60 Volvo  doet ons dan nog niet denken aan onze eigen sterfelijkheid. Pas als we het rouwcentrum hebben verlaten zijn we stil en in gedachten, de blinkende en pijlsnel accelererende bolide heeft zijn aantrekkingskracht volledig voor ons verloren. Ik ril en heb het koud, het lijkt wel of ik griep krijg…

We zijn te vroeg in het rouwcentrum en betreden als eerste de ruimte waar hij ligt opgebaard, we zijn gekomen om afscheid te nemen. Zijn moeder, vrouw, kinderen met aanhang komen binnen. Ze aarzelen alsof ze tegen de emoties van het afscheid en de onverbiddelijkheid van de dood opzien. Ik vraag me af of het wel gepast is dat we bij hen blijven? Uit het vriendelijke knikje van zijn vrouw maak ik op dat onze aanwezigheid op prijs wordt gesteld. Het duurt niet lang of het onderscheid tussen wij en zij bestaat niet meer…

Zijn moeder loopt op de kist af, gaat rechts bij het hoofdeinde staan. Ze legt haar hand op het haar en voorhoofd van haar levenloze zoon. Ze prevelt onverstaanbaar iets voor zich uit, is het een gebed? Ze schokschoudert, de tranen stromen over haar gezicht. Dan kijkt ze omhoog, naar ons en weer terug naar haar zoon. Het is doodstil, geluid van buiten dringt niet meer  tot de rouwruimte door. Pas als ze ziet dat wij ook machteloos staan wendt ze zich wenend en langzaam af.

Het is in het vroege voorjaar ergens aan het begin van de negentiger jaren, we staan aan de start van de donderdagavondcompetitie van onze wielerclub RWC Ahoy te Rotterdam. Halfweg koers hoor ik een zoevend geluid langskomen, op een oversized en wit Van Tuyl-frame, met carbonwielen rijdt hij op een grote versnelling, met een lichte slinger in zijn lijn, met grote snelheid in een keer langs het langgerekte peloton en vliegt zonder te remmen de bocht in. Ongeschoren benen. Opeens staat hij er, als een donderslag bij heldere hemel.

Ik zag hem zo later vele malen, in club-, competitie- en nationale wedstrijden keihard rijden, net zo lang tot hij met een klein groepje overbleef. Het leek of hij zich dan pas verzoende met het feit dat hij niet kon sprinten en zich vrijwel altijd tevreden moest stellen met een 2e of 3e plaats. Nooit ruzie, gescheld of gedoe: altijd vriendelijk, minzaam en soms met een licht spoor van wrevel kwam hij voor en na de koers op je af. Omdat hij met een hoge kromme kattenrug reed noemden ze hem wel ‘de bult’. Het was niet om aan te zien, zo lelijk was hij als renner. Maar door zijn vele schijnbaar heilloze en roekeloze tempoversnellingen nam hij ons helemaal voor zich in. Om mijn bewondering niet onder stoelen of banken te steken schreef ik in ons clubblad een kort anoniem stukje: ‘Aan het wiel van Giel’. Veel later kwam hij er toch achter wie dat geschreven had, hij gaf me een por en knipoogde…

Zijn fiets zag eruit alsof hij er mee door een varkensstal had gereden. Omdat hij zo nonchalant met zijn materiaal omsprong reed hij sneller lek dan wij. Dat was voor hem geen enkel probleem, hij vroeg een nieuw wiel, reed het gat in een keer dicht en soms ook nog hup in een keer naar de kopgroep.

Als bestuurslid van RWC Ahoy was hij ook markant, hij stapte zo na de dinsdagavondkoers van de fiets bij zijn medebestuurders aan tafel, het opgedroogde slijm nog rond de mond, zweet- en zoutplekken in zijn shirt. Nel Hermes vertelde me indertijd: Dat ze het er maar moeilijk mee had dat hij geen lap over zijn kop haalde en zich niet een beetje opfriste. Omdat hij in de eerste plaats een fijn mens en in de tweede plaats een kundig penningmeester was werd hem dit gedrag zondermeer vergeven.

Ik vraag aan zijn vrouw Nadine: ‘Hoe is het gebeurd, hoe is hij gevonden, zagen jullie en Giel het aankomen?’ Volledig zijn ze, allemaal, door de kracht van de plotselinge en wrede dood overvallen.

Nooit meer aan het wiel van Giel.

Een pracht kerel, uit een stuk, zo herinner ik me hem en zo wil ik me hem blijven herinneren, voor altijd.

Dat de engelen hem mogen vergezellen tijdens zijn reis door de eeuwigheid.

Tijdens een lichte hersteltraining overleed Giel Provoost op 3 april 2009 aan een hartstilstand, hij werd gecremeerd op Goede Vrijdag 10 april. Hij is 58 jaar geworden.

© Bram Zoon (2009)

 

Vernemen en zijn

Iedere keer als ik gedachteloos word, ben ik kalm. Als de dingen en gebeurtenissen me aansporen, me in de ban houden, ben ik rusteloos, bezorgd. Als ik bezinnend denk, valt alles van me af, ben ik zonder doel, besta ik. Anders en dat is het grootste deel van de tijd ben ik   ̶   zonder dat ik het voldoende in de gaten heb   ̶   bekommerd, spoed ik me letterlijk en figuurlijk van het ene naar het andere. Vanuit dit gezichtspunt is mijn erzijn nutteloos, vanuit het erzijn is het rusteloze leeg, onbestemd. Ik ben vol en leeg, niet gelijk- maar volgtijdelijk, beide zijn niet uitwisselbaar. De vraag naar erzijn brengt de dubbelzinnigheid van ons menselijk bestaan aan het licht. Half zijnd, half niet-zijnd ben ik, vandaar is het dat we aan geen ding volledig toebehoren, ook niet aan onszelf.

Steeds weer, moet ik iets achter me laten om bezinnend te zijn, uitstappen uit mijn dagelijkse modus, omkeren naar waar het omgaat. Naar wat er werkelijk toedoet. Ik moet tijd maken voor mezelf, in plaats van me te laten leiden door de aanzuigende krachten van mijn bezigheden.

Weet ik dan wat mij beroert, besef ik waar ik deelgenoot van ben? Ik vraag me af wat is dat, waar ik stil bij sta? Het is de beweging naar het doorgronden, beseffen, het doorstaan van mijn zijn, van mijn aanwezigheid, daar vraag ik naar. Ik vraag naar de grondslag van mijn zijn, mijn denken. Ver weg van mijn dagelijkse bezorgdheden om dit of om dat. Zolang ik het voor me plaats, verlaat het me, als ik me er geen voorstelling van maak, kan ik verstaan. Grijpende handen, driftig stappende voeten voorkomen dat ik iets verneem. Dit denken is als een weg om het gewone in het alledaagse te laten verschijnen.

Maar wat is dat zijnde, dat voltrekkende zijn? Het is bijzonder en uniek, het verblijven in het zijn is een gebeuren. In het eerdere geval ging alles gewoon door, zonder ons, in dit (andere) bijzondere geval staat alles stil, ben ik onderdeel van een gebeurende werkelijkheid, ik sta er niet langer tegenover. We zijn er als door een schijnbaar toeval in opgenomen.

En dan gebeurt er plotseling iets. Mijn gewone en veilige leventje schudt op zijn grondvesten. Mijn wereld stort plotseling in, ik ben bang en eenzaam. Mijn specialist gaf me slecht nieuws. Dan stelt zich de zijnsvraag nadrukkelijker: wat is eigenlijk mijn leven en wat haar zin?Is er wel iets? Is er niet veeleer niets? Wat is dat het niets? En is vragen naar het niets niet vreemd, onzinnig? Deze vragen vormden voor mij het Turning Point, ik draaide me langzaam om en deed een stap terug. Ik wendde me tot het ongewisse, het beangstigende, ik verliet mijn bescherming.[1]

Door mijn vragen als zodanig gebeurt er iets bijzonders, wordt er iets geopend, onverborgen gemaakt. Mijn vragen slaat terug op mijn ‘waarom?’ Als mijn vragen écht is, als het geen woordenspel is, maar uit innerlijke noodzaak geboren, dan is het alsof ik gehoor geef aan een oproep. Ik heb opeens een laag, een gesteente, een bodem ontdekt die me verrast. Ieder écht vragen opent een onverwachte grond waarop we, ontdaan van onze pretenties en slimmigheden, kunnen staan.

In onze onbedektheid zoeken we ook (steeds) weer naar beschutting. Maar hoe waarachtig is dit zoeken? Zo kan het geloof een dergelijke zorgende rol vervullen, we kunnen de zojuist beschreven denkbeweging dan tot op zekere hoogte mee voltrekken, maar de verwarring dat er toch iets in doorklinkt hoeven we dan niet te doorstaan. We schuiven er dan een heiligmaker tussen. God als stoplap voor de leegheid en de onbestemdheid die in ons rondwaart en die we op deze wijze afweren, buiten de deur houden. We willen dit geloven niet meer bloot stellen aan ongeloof. Dat staat min of meer gelijk aan onverschilligheid. Het sacrale, het intieme, aandachtige van ons vragen hebben we dan de das omgedaan. In het echte vragen geven we onszelf prijs, laat ik mezelf en mijn afweer los. Dit vragen, zoals in de filosofie van Heidegger, is een niet-eigentijds vragen.

Deze filosofie die Heidegger voorstaat is geen mode, zij wordt niet misbruikt voor de behoeften van de dag. We kunnen deze filosofie van het vragen niet aanleren, zoals we een ambacht of technische kennis kunnen aanleren, die we kunnen toepassen of op haar nuttigheid beoordelen. Maar het nutteloze kan ondanks dit toch een macht van betekenis zijn. We kunnen niet goed zeggen waartoe ze in staat is omdat het ons gegeven wordt. Wel dat zich in ons wankelen tussen zijn en niet-zijn onvermoede mogelijkheden bevinden om ons erzijn (toch) te verstaan.

© Bram Zoon (2020)

[1] Ik heb me in deze alinea laten inspireren door het relaas van Lotte Driessen in Trouw (5 december 2018). ‘Ik voel in mijn buik dat ik leef’.

Martin Heidegger  ̶  Inleiding in de Metafysica, 1997.