Maandelijks archief: maart 2020

De afgebroken zuil

Commentaar op het ‘In memoriam Giel Provoost’[1]

In hoeverre Bram Zoon zich de vraag heeft gesteld of er een oorzakelijk verband bestaat tussen de bovenmatige inspanningen die zijn ‘held’ Giel Provoost opbracht en diens abrupte dood blijft onopgelost. Het vermoeden  rijst dat hij deze vraag als ongepast, oninteressant of als ‘burgerlijk’ van de hand heeft gedaan.

Zoon stapt niet in de val van de gemakkelijke tragiek van zijn protagonist. Hij had immers  de vraag op kunnen roepen of Provoost zich wel had kunnen neer leggen bij het einde van diens actieve wielercarrière? Indien dit niet het geval was geweest had diens ‘trots’ immers tot zijn dood geleid! Dat heeft hij vermeden, niet gedaan.

Zoon heeft eveneens een eenvoudige identificatie met Provoost willen vermijden. Hij heeft zich niet de eigenschappen van Provoost zomaar eigen gemaakt. Wel heeft hij met dit IM het einde van zijn eigen wielercarrière onderstreept.

Hij heeft met zijn IM een monument willen oprichten voor de ‘gewone sporter’, die je bij wijze van spreken om de hoek van de straat, in de Hoekse Waard, aan het werk kunt zien. Het gaat hierbij om mensen die door hun bijzondere inzet, talent en spelplezier ver boven zich zelf uitstijgen en die niet de TV of de ochtendkrant halen. Bij deze sporters is geen plaats voor het nauwelijks verholen gepoch of  gesnoef over de eigen prestatie die zo vaak het commentaar en het interview met bekende sportlieden kenmerkt. Het gaat in zijn IM om een welgemeende huldeblijk voor iemand die zich zonder voorbehoud gaf en als dit tot succes leidde zich hier nooit op voor liet staan en met grote blijmoedigheid zijn ‘verlies’ nam.

Zoon heeft het licht willen werpen op een levensstijl die je als ‘romantisch’ zou kunnen typeren. Giel Provoost komt naar voren als iemand met een buitengewone  passie voor zijn sport, het leven zélf. Dat is zeer benijdenswaardig en als je dit kunt ervaren stroomt er een groot geluk door je aderen.

[1] https://www.bramzoon.com/uncategorized/in-memoriam/

 

 

In memoriam Giel Provoost (1951 – 2009)

3 april as. is het 11 jaar geleden dat de onvergetelijke Giel Provoost overleed, om hem te herdenken schreef ik indertijd het hierbij gevoegde IM.

Ze kijkt opnieuw nu langer en smekend naar ons alsof wij hem het leven terug kunnen geven…

Op de heenweg praten Ferry van der Touw en ik druk over hem. De gloednieuwe zwarte XC 60 Volvo  doet ons dan nog niet denken aan onze eigen sterfelijkheid. Pas als we het rouwcentrum hebben verlaten zijn we stil en in gedachten, de blinkende en pijlsnel accelererende bolide heeft zijn aantrekkingskracht volledig voor ons verloren. Ik ril en heb het koud, het lijkt wel of ik griep krijg…

We zijn te vroeg in het rouwcentrum en betreden als eerste de ruimte waar hij ligt opgebaard, we zijn gekomen om afscheid te nemen. Zijn moeder, vrouw, kinderen met aanhang komen binnen. Ze aarzelen alsof ze tegen de emoties van het afscheid en de onverbiddelijkheid van de dood opzien. Ik vraag me af of het wel gepast is dat we bij hen blijven? Uit het vriendelijke knikje van zijn vrouw maak ik op dat onze aanwezigheid op prijs wordt gesteld. Het duurt niet lang of het onderscheid tussen wij en zij bestaat niet meer…

Zijn moeder loopt op de kist af, gaat rechts bij het hoofdeinde staan. Ze legt haar hand op het haar en voorhoofd van haar levenloze zoon. Ze prevelt onverstaanbaar iets voor zich uit, is het een gebed? Ze schokschoudert, de tranen stromen over haar gezicht. Dan kijkt ze omhoog, naar ons en weer terug naar haar zoon. Het is doodstil, geluid van buiten dringt niet meer  tot de rouwruimte door. Pas als ze ziet dat wij ook machteloos staan wendt ze zich wenend en langzaam af.

Het is in het vroege voorjaar ergens aan het begin van de negentiger jaren, we staan aan de start van de donderdagavondcompetitie van onze wielerclub RWC Ahoy te Rotterdam. Halfweg koers hoor ik een zoevend geluid langskomen, op een oversized en wit Van Tuyl-frame, met carbonwielen rijdt hij op een grote versnelling, met een lichte slinger in zijn lijn, met grote snelheid in een keer langs het langgerekte peloton en vliegt zonder te remmen de bocht in. Ongeschoren benen. Opeens staat hij er, als een donderslag bij heldere hemel.

Ik zag hem zo later vele malen, in club-, competitie- en nationale wedstrijden keihard rijden, net zo lang tot hij met een klein groepje overbleef. Het leek of hij zich dan pas verzoende met het feit dat hij niet kon sprinten en zich vrijwel altijd tevreden moest stellen met een 2e of 3e plaats. Nooit ruzie, gescheld of gedoe: altijd vriendelijk, minzaam en soms met een licht spoor van wrevel kwam hij voor en na de koers op je af. Omdat hij met een hoge kromme kattenrug reed noemden ze hem wel ‘de bult’. Het was niet om aan te zien, zo lelijk was hij als renner. Maar door zijn vele schijnbaar heilloze en roekeloze tempoversnellingen nam hij ons helemaal voor zich in. Om mijn bewondering niet onder stoelen of banken te steken schreef ik in ons clubblad een kort anoniem stukje: ‘Aan het wiel van Giel’. Veel later kwam hij er toch achter wie dat geschreven had, hij gaf me een por en knipoogde…

Zijn fiets zag eruit alsof hij er mee door een varkensstal had gereden. Omdat hij zo nonchalant met zijn materiaal omsprong reed hij sneller lek dan wij. Dat was voor hem geen enkel probleem, hij vroeg een nieuw wiel, reed het gat in een keer dicht en soms ook nog hup in een keer naar de kopgroep.

Als bestuurslid van RWC Ahoy was hij ook markant, hij stapte zo na de dinsdagavondkoers van de fiets bij zijn medebestuurders aan tafel, het opgedroogde slijm nog rond de mond, zweet- en zoutplekken in zijn shirt. Nel Hermes vertelde me indertijd: Dat ze het er maar moeilijk mee had dat hij geen lap over zijn kop haalde en zich niet een beetje opfriste. Omdat hij in de eerste plaats een fijn mens en in de tweede plaats een kundig penningmeester was werd hem dit gedrag zondermeer vergeven.

Ik vraag aan zijn vrouw Nadine: ‘Hoe is het gebeurd, hoe is hij gevonden, zagen jullie en Giel het aankomen?’ Volledig zijn ze, allemaal, door de kracht van de plotselinge en wrede dood overvallen.

Nooit meer aan het wiel van Giel.

Een pracht kerel, uit een stuk, zo herinner ik me hem en zo wil ik me hem blijven herinneren, voor altijd.

Dat de engelen hem mogen vergezellen tijdens zijn reis door de eeuwigheid.

Tijdens een lichte hersteltraining overleed Giel Provoost op 3 april 2009 aan een hartstilstand, hij werd gecremeerd op Goede Vrijdag 10 april. Hij is 58 jaar geworden.

© Bram Zoon (2009)

 

Vernemen en zijn

Iedere keer als ik gedachteloos word, ben ik kalm. Als de dingen en gebeurtenissen me aansporen, me in de ban houden, ben ik rusteloos, bezorgd. Als ik bezinnend denk, valt alles van me af, ben ik zonder doel, besta ik. Anders en dat is het grootste deel van de tijd ben ik   ̶   zonder dat ik het voldoende in de gaten heb   ̶   bekommerd, spoed ik me letterlijk en figuurlijk van het ene naar het andere. Vanuit dit gezichtspunt is mijn erzijn nutteloos, vanuit het erzijn is het rusteloze leeg, onbestemd. Ik ben vol en leeg, niet gelijk- maar volgtijdelijk, beide zijn niet uitwisselbaar. De vraag naar erzijn brengt de dubbelzinnigheid van ons menselijk bestaan aan het licht. Half zijnd, half niet-zijnd ben ik, vandaar is het dat we aan geen ding volledig toebehoren, ook niet aan onszelf.

Steeds weer, moet ik iets achter me laten om bezinnend te zijn, uitstappen uit mijn dagelijkse modus, omkeren naar waar het omgaat. Naar wat er werkelijk toedoet. Ik moet tijd maken voor mezelf, in plaats van me te laten leiden door de aanzuigende krachten van mijn bezigheden.

Weet ik dan wat mij beroert, besef ik waar ik deelgenoot van ben? Ik vraag me af wat is dat, waar ik stil bij sta? Het is de beweging naar het doorgronden, beseffen, het doorstaan van mijn zijn, van mijn aanwezigheid, daar vraag ik naar. Ik vraag naar de grondslag van mijn zijn, mijn denken. Ver weg van mijn dagelijkse bezorgdheden om dit of om dat. Zolang ik het voor me plaats, verlaat het me, als ik me er geen voorstelling van maak, kan ik verstaan. Grijpende handen, driftig stappende voeten voorkomen dat ik iets verneem. Dit denken is als een weg om het gewone in het alledaagse te laten verschijnen.

Maar wat is dat zijnde, dat voltrekkende zijn? Het is bijzonder en uniek, het verblijven in het zijn is een gebeuren. In het eerdere geval ging alles gewoon door, zonder ons, in dit (andere) bijzondere geval staat alles stil, ben ik onderdeel van een gebeurende werkelijkheid, ik sta er niet langer tegenover. We zijn er als door een schijnbaar toeval in opgenomen.

En dan gebeurt er plotseling iets. Mijn gewone en veilige leventje schudt op zijn grondvesten. Mijn wereld stort plotseling in, ik ben bang en eenzaam. Mijn specialist gaf me slecht nieuws. Dan stelt zich de zijnsvraag nadrukkelijker: wat is eigenlijk mijn leven en wat haar zin?Is er wel iets? Is er niet veeleer niets? Wat is dat het niets? En is vragen naar het niets niet vreemd, onzinnig? Deze vragen vormden voor mij het Turning Point, ik draaide me langzaam om en deed een stap terug. Ik wendde me tot het ongewisse, het beangstigende, ik verliet mijn bescherming.[1]

Door mijn vragen als zodanig gebeurt er iets bijzonders, wordt er iets geopend, onverborgen gemaakt. Mijn vragen slaat terug op mijn ‘waarom?’ Als mijn vragen écht is, als het geen woordenspel is, maar uit innerlijke noodzaak geboren, dan is het alsof ik gehoor geef aan een oproep. Ik heb opeens een laag, een gesteente, een bodem ontdekt die me verrast. Ieder écht vragen opent een onverwachte grond waarop we, ontdaan van onze pretenties en slimmigheden, kunnen staan.

In onze onbedektheid zoeken we ook (steeds) weer naar beschutting. Maar hoe waarachtig is dit zoeken? Zo kan het geloof een dergelijke zorgende rol vervullen, we kunnen de zojuist beschreven denkbeweging dan tot op zekere hoogte mee voltrekken, maar de verwarring dat er toch iets in doorklinkt hoeven we dan niet te doorstaan. We schuiven er dan een heiligmaker tussen. God als stoplap voor de leegheid en de onbestemdheid die in ons rondwaart en die we op deze wijze afweren, buiten de deur houden. We willen dit geloven niet meer bloot stellen aan ongeloof. Dat staat min of meer gelijk aan onverschilligheid. Het sacrale, het intieme, aandachtige van ons vragen hebben we dan de das omgedaan. In het echte vragen geven we onszelf prijs, laat ik mezelf en mijn afweer los. Dit vragen, zoals in de filosofie van Heidegger, is een niet-eigentijds vragen.

Deze filosofie die Heidegger voorstaat is geen mode, zij wordt niet misbruikt voor de behoeften van de dag. We kunnen deze filosofie van het vragen niet aanleren, zoals we een ambacht of technische kennis kunnen aanleren, die we kunnen toepassen of op haar nuttigheid beoordelen. Maar het nutteloze kan ondanks dit toch een macht van betekenis zijn. We kunnen niet goed zeggen waartoe ze in staat is omdat het ons gegeven wordt. Wel dat zich in ons wankelen tussen zijn en niet-zijn onvermoede mogelijkheden bevinden om ons erzijn (toch) te verstaan.

© Bram Zoon (2020)

[1] Ik heb me in deze alinea laten inspireren door het relaas van Lotte Driessen in Trouw (5 december 2018). ‘Ik voel in mijn buik dat ik leef’.

Martin Heidegger  ̶  Inleiding in de Metafysica, 1997.