Ik, de rots van Calpe

Mijn vlees mag bang zijn; ik niet.

Jorges Luis Borges (1899 – 1986)

We maken kennis met Aard die na een lange reis is neergestreken in Calpe op een terras van een uitspanning, recht tegenover de rots. Deze steenklomp is hét herkenningsteken van de Costa Blanca en plaats waar indertijd iets onverwachts en ingrijpends is gebeurd. Een geschiedenis die Aard uit zijn geheugen heeft geprobeerd te wissen, maar dat is hem niet gelukt. Slechts in een verdraaide vorm kondigt zich nu beetje bij beetje aan wat dat is. Hij sukkelt na een lange reis op de strandboulevard in slaap, wordt vervolgens overrompeld door een bizarre dagdroom. Achter de rots, in de verte, is overigens een andere klip waarneembaar die sprekend lijkt op de walvis van het beroemde schilderij van Dali. Maar deze ontsnapt aan de aandacht van Zorgdrager.

Aard tuurt in de verte, hij ruikt het ziltige van de zee. Hij is wat achteraf op het grote terras in de schaduw gaan zitten. Als hij zijn ogen tot dunne streepjes samenknijpt ziet hij dat kleine sliertjes op zijn netvlies de ooglens vertroebelen. Toch is de conditie van zijn ogen niet slecht, hij kan nog steeds, als hij zijn ogen opent, de rots scherp zien. Kinderen spelen, schreeuwen en joelen op het strand. Voor hem zit een oudere dame te dommelen. Na zoveel jaren kijkt hij opnieuw in een mengeling van bewondering en afgrijzen naar de rif, desalniettemin glijdt hij langzaam weg in een lichte en onrustige slaap. De klif wendt zich tot de mensen, spreekt tot hen, tot hem. Het is dusdanig helder dat hij zonder noemenswaardige moeite diens tirade registreert en later reproduceert:

‘Ik, de rots van Calpe ben niet kenbaar. Ik geef mijn geheimen niet prijs. Waarom zou ik? Slechts een enkeling kan me doorgronden. Hoewel deze feiten onweerlegbaar zijn zal ik spreken. Een tip van de sluier oplichten. Dat moment is nu aangebroken.

Daar liggen jullie te wentelen op het strand. Jullie zijn niet goed bij je hoofd, of nauwelijks bewust van de wereld waarin jullie leven. Als de elementen maar even hun gang gaan worden jullie verzwolgen. Verkruimeld en verpulverd in onze woeste granieten vuisten. Een eerbiedig, ingetogen zwijgen zou een gepastere houding zijn, maar jullie willen en kunnen niet luisteren.

De enkelen die ons menen te kennen zitten thuis in spaarzaam verlichte kamers, achter hun computers, te piekeren of te studeren. Ze hopen een glimp van onze ontzagwekkende realiteit te kunnen opvangen, tegelijkertijd zijn ze er doodsbang voor.

Het koude angstzweet staat op de rug van die arme zwoegers en doorweekt hun polo’s. Toch zoeken ze verder. Als zij ons ware gezicht zouden kennen, zouden ze meteen sterven, hun hart zou nooit meer een slag slaan. Omdat het mysterie nooit onthuld of gekend kan worden. Alleen de moedigsten onder jullie mogen het, zij het voor korte tijd, in de verte aanschouwen. Zij zullen voor het leven getekend zijn en alleen nog stamelend kunnen spreken. Zelfs als zij de gave van het woord behouden, zullen ze niet geloofd worden. Dat is hun lot. Zo is het altijd gegaan en zo zal het altijd blijven. Indien die enkeling, dat genie, niet de mogelijkheid had om op enigerlei wijze uitdrukking te geven aan zijn ervaringen, zou hij terstond sterven.

Uitgestoten zal hij zeker worden, maar dat had ik al verteld. Het bijzondere is dat die waarheidzoeker, zo zou ik een dergelijk iemand willen noemen, daar niet om geeft en dat maakt hem voor ons oerkrachten buitengewoon aantrekkelijk. We laten hem nog even aan een dun onzichtbaar touwtje bungelen en vermaken ons kostelijk om zijn vermetelheid. Al snel is hij te uitgeput om nog één woord op papier of een penseel op een doek te krijgen.

Ik, de rots van Calpe, de Peñón de Ifach, zorg er persoonlijk voor dat hij in de lagune, hier vlak achter de verkeersader te midden van de flamingo’s wordt geknikkerd. Daar kan hij zijn laatste levensdagen al doelloos dobberend doorbrengen, in afzondering, zonder medemensen, tussen de honderden gracieuze flamingo’s.

Ik mag dan wel slechts tweehonderddrieëndertig meter hoog boven de Middellandse Zee uitsteken, ik ben indrukwekkend. Niemand kan om mij heen, ik zal altijd gezien worden. Maar ik kan, nogmaals, niet gekend worden, nooit. Daar wil ik geen misverstand over laten bestaan.

Jullie kunnen duizenden foto’s van me maken en me onder leiding van ter zake kundigen beklimmen. De vegetatie bestuderen, diepe gaten in me boren, vanaf mijn top grondig de omgeving analyseren. Dwarsverbanden proberen vast te stellen tussen mij en de rest van de omgeving. De talloze vogels die op mijn flanken broeden spotten. Het zal jullie niet veel baten, ik geef mijn geheimen niet prijs. Jullie doen er goed aan je daarbij neer te leggen.

Als jullie ook maar een fractie van mij zouden doorgronden, zien jullie je geliefden nooit meer terug. In dit verband heb ik daar ooit de beroemde en onlangs overleden Nederlands kunstenaar Armando het volgende over horen beweren: ‘De medemens is niet pluis.’ Dat heeft deze grote schepper en mensenkenner goed begrepen en mild verwoord.

Ik kan ook nog vermelden dat de grote Ernest Hemmingway in de jaren dertig van de vorige eeuw, zijn tenten aan mijn voeten heeft opgeslagen. Misschien heeft hij net als Armando wel iets van mij begrepen. Zijn complete werk ken ik onvoldoende, maar ik weet wel dat het met hem niet goed is afgelopen. Na de aanblik van mijn ontzagwekkende waarheid is hij terstond naar Chili gevlucht. Hij is daar aan de drank gegaan; de langzame zelfmoord. Daarna heeft hij van iedereen verlaten, zich dwars door het gek geworden hoofd geschoten.

Dit feit was me bijna ontschoten omdat ik indertijd met een groot onderzees karwei aan de gang was. Daar in Zuid-Amerika heeft deze beroemde auteur een indrukwekkende tekst samengesteld: ‘The old man and the sea.’ Het kan geen kwaad dit boek te bestuderen, maar het zal jullie niet veel verder helpen of dichter bij mij brengen.

Daar waar ik de zee aanraak ligt soms afhankelijk van het zwakke getij een stukje, of beter gezegd een strookje, ontbloot fijn zand. Dat is een ideale plek, er wordt stom genoeg geen gebruik van gemaakt. Door niemand.

Die zee, de Middellandse Zee, is mijn grote vijand en mijn grote beschermer, allebei tegelijkertijd. Door haar hoef ik mijn geheimen vooralsnog niet prijs te geven. Die onttrekken zich aan jullie waarneming. Tegelijkertijd moet ik voor haar uitkijken, als zij de gelegenheid krijgt om mij te verpletteren, zal zij dat niet laten. Van zulk een tegenstelling tussen de beminden hebben jullie nog nooit gehoord. ‘Daar kunnen jullie niet veel mee,’ zoals jullie tegenwoordig zo fraai plegen te zeggen.

Laat ik nog één ding vermelden, daarna horen jullie nooit meer iets van me. Wij verheugen ons in die strijd, dat biedt ons ongekende mogelijkheden om ons bestaan te grondvesten. Wij hoeven onszelf niet te rechtvaardigen. Wij koesteren onze strijd, jullie zullen hier nooit iets van begrijpen. Nooit! Op die enkeling na uiteraard. Het kan me overigens niet zoveel schelen als ik mezelf tegenspreek. Dat melige gezelschapsspel laat ik graag aan jullie over.

Jullie doen er goed aan om de hier achter gelegen lagune met rust te laten. Ik waarschuw jullie.

Tenslotte. Ik hul me weer in stilzwijgen en laat jullie aan de grillige krachten van het lot over. Dit is het enige dat ik kan en wil doen.’

Aard mompelt in zijn slaap, is het een vloek? ‘Dali, magisch realisme,’ zegt hij als hij wakker wordt. Op zijn licht blauwe polo zitten zweetplekken. De droom houdt hem nog uren daarna bezig, natuurlijk een rots kan niet spreken, maar hij is er niet gerust op. Na enige tijd komt hij tot de slotsom dat de droom een symbolische betekenis moet hebben, hem iets wilde zeggen, aanspreken of wellicht verklaren. Zal hij zich door moed en onverzettelijkheid waar de rots van getuigt laten leiden, of zal hij zijn gedrag door de omstandigheden laten sturen?[1]

© Bram Zoon (2013/2018)

[1] Bram Zoon – De rots van Calpe, 2014.

Over Bram Zoon

Bram Zoon komt uit een gezin van zeven jongens en een meisje. Hij studeerde bedrijfs- en organisatiekunde in Rotterdam (EUR) en Utrecht (Master of Management Change). In december 2010 debuteerde Zoon met 'Gloed van Liefde', een egodocument. Twee jaar later volgden 'Egbert Reitsma: architect en kunstschilder' en 'Hemelsplein', een novelle over de zoektocht naar waarheid van econoom Jacob Walbeek. In 2014 verscheen 'De rots van Calpe', waarvan nog datzelfde jaar een tweede druk verscheen. In juni 2015 kwam 'De illusie van de zelfbepaling' uit, een bundeling van filosofische essays; prof. dr. Frans Jacobs schreef het voorwoord. Medio 2018 verschijnt 'Villa Winerva' (novelle) en hij bereidt een publicatie over het denken van Martin Heidegger (De omkering naar het Zijn) voor.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.